Iriserend II

Deel 2: Zwart-rood: Opname in de psychiatrie en herontdekking van de liefde
(geur: sigaretten, smaak: gestoofd witlof, klank: lachen met gemengde gevoelens)

Iris opende de ogen. Gewoontegetrouw eerst een sigaretje roken. Een blik op de klok gaf aan dat het bijna tijd was voor het middageten. Nog welgeteld tien minuten. Afdoende voor een rokertje. In de mistige rookzaal snoof ze de geur van sigaretten op. Zenuwachtig inhaleerde ze. Toen ze de ruimte verliet, stond de etenskar klaar in de gang. Nieuwsgierig wierp ze een blik op het menu. Bah! Gestoofd witlof, het enige gerecht dat ze niet lustte.

Toen ze zich aan tafel wilde neerplanten, schoof een uit de kluiten gewassen, knappe jongeman naast haar aan. Bij de ontmoeting van hun ogen verstijfde ze een seconde. “Iris!” “Raun, aangenaam.” echode een verrassend welluidende stem. “En wat doe je zoal in het leven, Raun?” “Ik ben luitenant bij het leger.” Terwijl de verpleegster behendig de borden ronddeelde, nam het gesprek langzaamaan een samenzweerderige toon aan.

“Wat brengt je hier?” “Overwerkt!”, klonk het vastberaden. “Net getransfereerd naar een bureaujob. Ik kon het stilzitten niet aan. Zodra ik hier buiten ben, vraag ik overplaatsing aan.”“En jou?” “Een psychotische depressie.”, antwoordde Iris gedempt. Ondanks de rustige aanblik die ze boden, viel de spanning tussen de twee te snijden. Lonkende blikken schoten heen-en-weer terwijl ze geïnteresseerd naar elkaars leeftijd informeerden. Weifelend keek Iris, Raun aan. Vijfentwintig was toch wat jong voor haar. Een verschil van zeven jaar kan onoverbrugbaar lijken. Met een harde tik, zette de verpleegster de borden voor hun neus. Iris haalde de neus op en roerde enkel de aardappelen en de vegetarische burger aan, terwijl Raun levenslustig en met een gezonde eetlust at. Het gesprek stokte en na de maaltijd zochten ze allebei hun kamer op.

Diezelfde avond dwaalde Iris, plompverloren, rond door de gang op de afdeling. Heen en weer, heen en weer. Toen ze besloot terug naar de kamer te wandelen, botste ze op Raun. Iris, met haar één vijftig, keek op naar Raun, die nét niet de twee meter haalde. Eén centimeter tekort. “En, iets van plan?” “Ik ga naar de avondsport”, klonk het overtuigd. “Mag ik je met je mee?” “Natuurlijk!” Zij droeg een strakke coltrui en dito jeans. Hij sportkledij. Het sierde hun klassieke lichaamsbouw. Een mooi stel!

Flirtend en schaterend, zaten ze op de Zweedse bank. Iris wierp regelmatig een blik in de richting van het voetbalveld, waar de bal in hoog tempo heen en weer vloog. De benen van sommige kerels lieten haar niet onberoerd; al was Raun veruit de knapste man in de zaal. Maar ja, toch wat jong.