Iriserend

Hoe het licht in de iris weerspiegelt wat we voelen.

Inleiding:

Het verhaal:

Het begint met “Inktzwart”, de periode vlak na Iris' eerste opname in de psychatrie, en loopt het prisma af, in omgekeerde volgorde, om in majeur te eindigen bij “Felwit”. Een optimistische roman dus.

Iriserend vertelt het verhaal van Iris Boterbloem1, aan de hand van het spectrum via een Olympische verteller. De roman geeft een psychologisch portret van haar en bevat: geur, smaak en klank. Een zintuigelijke roman dus. Hiermee wil ik zowel een ode brengen aan Marcel Prousts “Op zoek naar de verloren tijd” als stelling nemen, inzake de psychiatrie. Elke kleur beschrijft een korte fase uit het leven van Iris. Het verhaal verloopt niet chronologisch. In karmijnrood, het stuk over de liefde, wisselt het verhaal doelbewust van perspectief. Hier komen Raun -de ex-vriend van Iris-, de verteller en Iris aan de beurt. Een complexe zaak, een relatie, en je beleeft het nooit alleen.

Je kan deze snipperroman op verschillende niveau's lezen. De geoefende lezer kan er woordgrapjes , dubbele bodems en culturele verwijzingen in ontdekken. Die doe ik hier niet uit doeken; om het plezier van het zoeken niet te vergallen en de lezer niet te vervelen. Elk deel staat op zichzelf en kan afzonderlijk gelezen worden.

Veel plezier ermee.

Deel 1: Inktzwart: Depressie
(geur: verrotte eikels, smaak: koffie op nuchtere maag, klank: onaangename stilte)

Iris leefde op de armoedegrens. Op deze laatste maandagmorgen van de maand was het weer de buikriem aanhalen. Met een slaapdronken blik en verwarde haardos, zette ze een kopje koffie. Haar wijnrode kamerjas knoopte ze mechanisch dicht. Toen ze het kopje aan haar lippen zette, rook ze de geur van verse eikels en proefde de smaak van noten -achteraan op de tong. Ze zuchtte zwaar terwijl haar maag langzaam samentrok. Een lichte tinteling steeg naar haar hoofd. Zuur dacht ze aan de allesverterende honger. Het was ijzig in de kamer. Een blik op de klok waarschuwde haar dat het tegen acht uur liep. Ach ja, het kon haar wat; een passende baan vond ze toch niet. Zwaarmoedig keek ze richting koelkast. Daar werd het wit verstoord door het vunzige oranje van drie rekeningen, er zeer precies opgespijkerd. De facturen van telefoon, elektriciteit en internet konden wachten tot de volgende maand. Een te grote hap uit haar budget; zeker nu ze gisteren de ziekenhuisrekening vereffende. Vijfhonderddrieëntwintig euro; wat een slokop voor een loon van zevenhondervierennegentig euro zesennegentig cent.

Drie maanden geleden werkte Iris nog op de klantendienst van Proximus. Na welgeteld drie weken, voelde ze zich een bandrecorder. Door het gebrek aan diploma, restte er niets anders dan te blijven. Het ene landerige baantje inruilen voor het andere was zo zinloos als proberen een regenworm te doden door hem doormidden te hakken. Elke dag zonk de moed haar ietsje meer in de schoenen. Ook het dagelijkse gezeik van de baas: "Assertiever, zijn! Hou die telefoontjes korter! Verdoe je tijd niet door te fel mee te gaan met de klant!" vermoeide haar. Ze zat daar toch in dienst van de klant, al oordeelde de chef daar anders over. Zes lange maanden hield ze het uit. Toen besloot ze in bed te blijven. Het maakte toch niemand wat uit! De tweede dag van haar Oblomovbestaan sleepte ze zich naar de dokter. Depressie, constateerde de arts met een bijna ruwe zakelijkheid. Met een voorschrift voor Efexor sjokte ze naar huis. Een bijtende novemberwind sloeg haar in het gezicht. Bij het licht van de apotheek hield ze halt. "Pillen tegen een saaie job, bestaan die?" dacht ze. Plichtsgetrouw stapte ze toch binnen. De neonverlichting versterkte haar zinderende hoofdpijn.

Een lange rij. Tegen haar zin vatte Iris post achteraan. Wachten, echt iets wat haar niet lag. Ze neigde ernaar om dan de hele tijd op en neer te lopen. Dat kan je natuurlijk niet maken in een apotheek. Haar knikkende knieën toonden dat ze zich ongemakkelijk voelde. Ze draaide het hoofd in zowat alle mogelijke richtingen. Hier en daar ving ze een flard conversatie op. Geen zin om te luisteren naar: “Hoe gaat het met je dochter?”, gevolgd door een uitvoerig verslag, dwaalden haar gedachten af. Zowat vijfentwintig minuten later, stond ze voor de toonbank. “Ja?”. Verstrooid, gooide Iris het voorschrift op de toonbank. “Een doosje Efexor” aub.” antwoordde ze op lichte fluistertoon. Onbewogen maar energiek draaide de verkoopster zich om.

Drie weken later treffen we Iris op haar studio. “Drie weken geduld.”, had de dokter gezegd. Haar gelaat stond op donderen. Ze was het grondig zat! Elke dag hetzelfde liedje: uren woelen in bed, vechtend tegen de tranen. Was dit het nu, het leven? Eerlijk gezegd, hoopte ze toch op meer. Ze herinnerde zich de puberteit. Vol verwachting stapte ze toen door het leven. “Ring!” De telefoon onderbrak haar gedachten. Niet geïnteresseerd, liet ze hem rinkelen. Toch nog eens een dokter contacteren.

“We kunnen u natuurlijk opnemen!” Weifelend bekeek Iris de dokter. “Opnemen?”