Inktzwart

Gisèle leefde op de armoedegrens en vertegenwoordigde de woelige onderbuik van onze samenleving. Op deze laatste maandagmorgen van de maand was het weer de buikriem aanhalen. Met een suffige blik gericht op oneindig en haren, die Einsteins jaloezie zouden wekken, zette ze zich een kopje koffie. Haar rafelige wijnrode kamerjas knoopte ze mechanisch dicht. Toen ze het kopje aan haar lippen zette, ademde ze de geur van eikels en proefde de smaak van noten achteraan op de tong. Ze blies een zware zucht terwijl haar knorrige maag langzaam samentrok. Een lichte tinteling steeg naar haar hoofd terwijl ze zuur dacht aan de allesverterende honger en de ijzige koude in de kamer. Een blik op de klok waarschuwde haar dat het tegen acht uur liep. Ach ja, het kon haar wat; een passende baan vond ze toch niet. Zwaarmoedig keek ze richting koelkast. Daar werd het wit verstoord door het vunzige oranje van drie rekeningen, er zeer precies opgespijkerd -met een kogelronde, diepgroene magneet. De facturen van telefoon, elektriciteit en internet moesten maar wachten tot de volgende maand. Ze knauwden een te grote hap uit haar budget; zeker nu ze gisteren de ziekenhuisrekening vereffende. Vijfhonderddrieëntwintig euro; wat een slokop voor een loon van zevenhondervierennegentig euro zesennegentig cent.

Drie maanden geleden werkte Gisèle nog op de klantendienst van Proximus. Na welgeteld drie weken voelde ze zich een bandrecorder maar door haar gebrek aan diploma, restte er niets anders dan te blijven. Het ene landerige baantje inruilen voor het andere was zo zinloos als proberen een regenworm te doden door hem doormidden te hakken. Elke dag zonk de moed haar ietsje meer in de schoenen. Ook het dagelijkse gezeik van de baas: "Assertiever, zijn! Hou die telefoontjes korter! Verdoe je tijd niet door te fel mee te gaan met de klant!" vermoeide haar telkens meer. Ze zat daar toch in dienst van de klant, al oordeelde de chef daar anders over. Zes lange maanden hield ze het uit. Toen besloot ze in bed te blijven. Het maakte toch niemand wat uit! De tweede dag van haar Oblomovbestaan sleepte ze zich naar de dokter. Depressie constateerde de arts met een bijna ruwe zakelijkheid. Met een voorschrift voor Efexor sjokte ze naar huis door de bijtende novemberwind. Bij het groene licht van de apotheek hield ze halt. "Pillen tegen een saaie job, bestaan die?" dacht ze; maar plichtsgetrouw stapte ze binnen. De felle neonverlichting versterkte haar zinderende hoofdpijn.