In verdronken grijs

het orkest is niet
vooruit te branden
ik voel klam zweet
opkomen in mijn handen
als ik op noten jaag

stroperig golft
een oceaan aan tonen
in verdronken grijs
alle opgezweepte koppen
betalen zo in schuim hun prijs

er zijn geen brekers
die dwars liggen in een
vals akkoorden soort
zij hebben niet gescoord in
gruwelijke middelmatigheid

toch stript wind
met valse luwte en
vervaarlijk scherp basalt
een diepte die het orkest met
plotseling staccato overvalt

violen vlagen tussen
paukenslagen trompetten
schetteren tegendraads in
deze waterval muziek en ik
zing eindelijk weer een hemels lied