Hotel de la Plage

Hotel de la Plage

‘Ah, daar bent u al, monsieur Charles. Goede reis gehad?’
‘Gaat wel, gaat wel, mevrouw. Bij Parijs wat druk. Ik had beter over Arras kunnen gaan.’
De vrouw achter de receptie knikte begrijpend.
‘Ik heb u maar uw oude kamer gegeven, of…?’
Hij haalde de schouders op. ‘Ik zal toch verder moeten.’
Ze gaf hem de sleutel. ‘Ik laat uw bagage boven brengen.’
‘Ja. Maar ik ga eerst maar een kopje koffie drinken.’
Er was nog weinig veranderd in de serre. Ietwat havelozer. De witte verf wat meer afgebladderd.
Buiten het strand, de verre einder vervaagd in de namiddaghitte. Kinderen met schepnetjes die schaaldieren vingen, om die daarna weer terug te gooien.
Rechts de halve cirkel van Les Vaches Noires, een rotsformatie die in een punt in zee uitliep.

Hij zat alleen en dronk de zwarte, hete koffie met kleine teugjes. Hij probeerde krampachtig zich tot het heden te bepalen. Alleen zijn went nooit.
‘Bonjour, Charles. Comment vas tu?’
Een statige vrouw stond bij zijn tafel en reikte hem de hand met de rug naar boven. Een handkus was het gebruik.
‘Ah, madame la Comtesse. Het gaat redelijk, dank je.’
Een grapje. Ze was weliswaar van welgestelde afkomst, maar nieuwe adel. Haar familie was rijk geworden door de productie en verkoop van zoetwaren. Ze had zich ongehuwd gedistantieerd van het Parijse leven.
‘Ga zitten, Cathérine.’
‘Dank je.’ Ze schikte de zware mantelpakstof, die haar forse vormen moest verhullen.
Ze keken beiden naar buiten.
‘Aardig van je om me te schrijven, Charles.’
‘Ja, ik dacht, laat ik je maar op de hoogte stellen.’
‘Onverwacht?’
‘Als je het achteraf overziet, heb ik wel wat tekenen verwaarloosd.’
‘Maar had je er dan nog iets aan kunnen doen?’
Hij schokschouderde. ‘Als ik gewild had, wel misschien. Maar dan had ik me steeds weer moeten bewijzen. En dat bracht ik niet meer op.’
‘Als goede vrienden uiteen?’
Hij lachte wat bitter. ‘Integendeel, ze heeft er uit gehaald wat er te halen was.’
Hij maakte een teken naar de dienster, een pront meidje van het achterliggende platteland. ‘Een glas witte wijn alsjeblieft. Jij ook?’
‘Ja, het avonduur naakt.’
‘Twee maal dan.’
Ze dronken elkaar enigszins plechtig toe en keken naar buiten, waar de dalende zon blikkerde op de zee.
Verderop zat een man, op een rots. Naast hem een spaniel. Af en toe gleed de hand van de man over de lange oren van het dier.
Ze keek meewarig naar het stel. ‘Meneer Bernard. Hij is ook alleen.’
‘Oh?’
‘Ja, zijn vrouw is afgelopen herfst gestorven.’
‘Ja. Nu herinner ik me hem. Vorig jaar was hij hier ook. Met zijn vrouw. En de hond.’
‘Ja. Hun laatste vakantie. Ze wisten dat het de laatste samen was.’

De kinderen kwamen met helle geluiden terug van het strand. De vloed kwam op, de wind nam toe en dan werd het gevaarlijk met onzichtbare, maar sterke stromingen. Trots liet een meisje hen hun vangst zien.
‘Wat een prachtige schelp is dit, meisje. Zo mooi heb ik er nog nooit één gezien.’
Het kind glunderde. ‘Merci madame, vous êtes très gentille. Maman! De gravin zegt….’
Het strand was nu leeg. Alleen de man met de spaniel zat nog op de rots, waar het water nu hoger omheen spoelde.
Ze lieten nog wijn komen. Ze dronken met kleine teugjes, kijkend naar de man met zijn hond.
‘Het water komt nu tot zijn knieën.’
‘Ja, de vloed komt snel op.’
Weer een bedachtzaam nippen van de wijn.
Cathérine keek nu wat scherper naar de rots. ‘Ik zie het misschien niet goed, Charles, maar…’
Hij schudde het hoofd. ‘Ik denk, dat je het heel goed ziet.’
‘Ja?’
‘Ja.’
‘Maar je vindt niet, dat we moeten…’
‘Nee. Daar zouden we geen goed aan doen.’
Ze keek naar de zee. ‘Er komt storm.’
De golven gingen hoger over de rots en nog steeds zat daar de man met zijn hond.
Er sloeg nu een grote watermassa overheen. Toen die was weggezakt, waren de man en zijn hond verdwenen.
Catherine sloeg een kruisje. ‘Au revoir, monsieur Bernard.’
Charles neeg het hoofd. ‘Et toi aussi, petit chien.’
Dan hieven ze beiden het glas in de richting van de zee.

hendrik