Het spook uit de bandrecorder

Ik had de oude bandrecorder op zolder gevonden. Ernaast stond een kartonnen doos met achttien centimeter spoelen. Ik had het ding zeker twintig jaar niet meer gezien en herinnerde me dat ik het ding vroeger op verjaardagen had laten meedraaien om dat later nog eens af te luisteren, wat er nooit van gekomen was.
Ik sleepte het logge ding moeizaam naar de huiskamer, legde er een spoel op, en zette de grote knop op weergeven. Er steeg meteen een brei van geluid op uit de luidspreker. Plotseling hoorde ik de kenmerkende schelle stem van tante Mie, die hoorde je altijd overal boven uit. Er was ook de stem van oom Jan die ergens onbedaarlijk om moest lachen. Ik hoorde kinderstemmen, en daarna het lang zal ze leven, ongelijk, onduidelijk, maar ongelooflijk charmant na al die tijd.
‘Wat doe jij?’
Ik schrok hevig en draaide me om.
‘Oom Franklin!’ bracht ik uit.
‘Ik vroeg wat jij doet!’ Hij keek me bars aan. Oom Franklin, het zwarte schaap van de familie die nooit werd uitgenodigd maar op een van die verjaardagen naar binnen was gestapt, in korte tijd de grootste bonje had gemaakt en toen weer was opgestapt.
‘Of wil je nog eens horen hoe ik tekeer ging?’
‘Ik..’
‘Ja, dat wil je! Want jullie zijn allemaal hetzelfde! En het altijd roerend met elkaar eens!’
‘Maar…’
‘Luister,’ beviel hij bars, ‘daar komt het…’
Tot mijn verbazing hoorde ik opeens de stem van oom Franklin die iedereen luid goeienavond wenste. ‘Nou Arend, gefeliciteerd met je verjaardag. Ik weet dat we elkaar niet zo mogen, maar je bent nu zestig geworden, dat is een mijlpaal, en hoewel jij daar geen flikker mee te maken hebt omdat je toch niets doet, kon ik dat niet zomaar voorbij laten gaan.’
Op de achtergrond klonken boze stemmen. De schelle stem van Tante Mie zei iets waarom ze ombedaarlijk moesten lachen. Toen bibberde het geluid, viel af en toe even weg door de slechte kwaliteit van de band en daarna klonk alles opeens heel erg vaag.
‘Het is altijd hetzelfde…’ gromde oom Franklin.
Ik keek verbaasd toe omdat zijn in groen kostuum gestoken gestalte vervaagde.
‘Altijd als ik…’ hij loste op in lucht waar ik bijstond.
Achter me draaide de bandrecorder geruststellend verder, maar ik wist dat er zich nu zoveel stof bij de weergavekop had opgehoopt, dat er nu niets meer te horen viel dan ruis.

Cor Snijders
F4