Het Oog

Het oog, gevangen in droge aarde
Insecten kruipen rondom de bol
Waar de wenkbrauw wacht, blinkt hemel
Cellen liggen bloot op de ommuring

Ik vraag me af waar het vandaan komt
Wat ik in de zwarte geulen lees, vader, moeder…
Het maakt me bang, te leven
Aan de andere kant van deze spiegel

Op de voorgrond, bijna aan mijn voeten
Ligt een blauwe vrouw
Zij doezelt tussen rijpe vruchten
Perziken, pruimen, abrikozen

Een traan van botergele druipsteen
Tuimelt uit gesloten deuren
Spat uiteen op het geblokte pad
Ik vrees de dag, de aanvang van groen blad