Het jongetje uit de nis

December 1988. het landschap ligt verborgen onder een witte wollen deken die bijna oplicht onder invloed van de zilvermaan. Tommy kijkt vanuit het raam naar al dat moois en verlangt ernaar morgen opnieuw in de sneeuw te kunnen spelen. Heel even beslaat zijn adem het raam en met kleine ronde bewegingen van zijn mouw veegt hij het schoon. Niet zozeer het landschap eist zijn volle aandacht, maar wel de sneeuwpop die hij samen met zijn vader heeft gemaakt. Hij bekijkt hun creatie met een zekere fierheid terwijl hij anderzijds toch een angst onderdrukt. Overdag had de sneeuwpop er vriendelijk uitgezien, maar nu in het halfduister heeft zijn grijns iets demonisch. Zijn levensloze ogen lijken wel oneindig naar binnen te staren. In zijn verbeelding hoort hij de sneeuwpop spreken. ‘Ga maar naar boven Thomas, ik wacht hier wel even tot je slaapt en dan…’. Abrupt wordt zijn griezelig beeldspelletje verstoord door de stem van zijn moeder.

“Tommy, heb je me wel gehoord?”. – Natuurlijk heb ik je niet gehoord, ik hoorde enkel het spreken van de akelige sneeuwpop -. “Jajaa, ik kom eraan!”. “ Ik kom eraan wie?”. Onmiskenbaar de stem van papa die erop toeziet dat ik vriendelijk en beleefd ben. “Ja mama, ik kom eraan”. Mama stond al te wachten aan de deur. Ik blijf het beeld altijd in mijn gedachten houden van hoe ze daar staat met een mooie buik. Je moet weten dat we binnenkort een broertje of een zusje verwachten. Hopelijk wordt het een zusje, die heb ik al altijd gewild. “Vergeet je tanden niet knul”, roept papa mij nog na zonder ook maar even zijn krant te zakken.

Na het poetsen van mijn tanden kom ik in de nieuw kamer. Papa lapt nu mijn oude kamer op voor de komst van de baby en ik ben gepromoveerd tot een grote broer-kamer!. Best gezellig hoor, ik heb een speelkamp en mijn posters sieren de grote muren. Overal liggen mijn donzige vrienden! Ook hier deed papa zijn best voor mij. Mama stopt me in en leest nog een verhaal voor. Eigenlijk ben ik erg moe van het buiten ravotten en wil ik het liefst van al slapen. Mijn ogen vallen dicht en vaag voel ik nog mama’s lippen op mijn voorhoofd.

Ik droom van water, veel water die plots tot sneeuw verandert. Papa en mama zijn er ook en ik maak met hen veel pret. Ik rol sneeuwballen en gooi ze naar mijn ouders. Papa op zijn beurt rolt een veel te grote sneeuwbal die zich prompt verandert in een sneeuwpop. Ik zet een paar stappen achteruit omdat deze dreigend op mij afkomt. Papa en mama zijn op dat ogenblik spoorloos. ‘Hahahaha, we zien elkaar terug Thomas!’, gilt de sneeuwpop. ‘Dat had ik je beloofd niet?’. ik blijf achteruitlopen om te ontsnappen en val. Het vallen lijkt verdomd echt voor een droom en dat is het ook. Ik ontwaak naast mijn bed en voel een kanjer van een buil op mijn hoofd. Het wordt koud en ik kruip vliegensvlug terug mijn bed in. Nog mijmerend over de akelige droom, hoor ik plots het piepen van mijn kleerkastdeur.

Ik droom nog? Het kan bijna niet anders. Muisstil blijf ik luisteren. Mijn hart klopt letterlijk in mijn keel. Het klopt veel te snel. Het piepen blijft maar duren. Ik laat het laken heel even zakken en ik tuur door de duisternis naar de kleerkast. De deur staat volledig open en mijn anders zo vrolijke kleren liggen nu in allerlei dreigende figuren naar me te staren. Ik knijp mijn ogen dicht in de hoop dat alles weer een droom is.
Opeens vliegen al mijn kleren door elkaar op de grond alsof een bezetene te werk gaat. Ik begin te gillen, ditmaal niet in een droom maar echt. Het gestommel in de andere kamer laat me weten dat ook mijn ouders wakker zijn. Plots voel ik een harde klap op mijn borstkast en ik naar adem happen. Het licht knipt aan en papa staat in mijn slaapkamer. Ik kan nog steeds niet ademhalen, iets laat me niet ademhalen!!

Papa ziet hoe ik blauw wordt en begint te panikeren. “Thomas!!” “Wat is er aan de hand?” Mama houdt haar beide handen op haar hoofd en begint te gillen. De wereld kleurt zwart en voor ik het bewustzijn verlies zie ik een jongetje van ongeveer mijn leeftijd. met zijn beide handen duwt hij heel hard op mijn borst. Dit is het laatste beeld dat ik te zien krijg, dat dacht ik toch.

In mijn onderbewustzijn zie ik het jongetje terug. Ik volg hem tot aan de kleerkast. Hij loopt dwars door de planken en verdwijnt. Perplex blijft ik achter . Een gedeelte van zijn arm komt terug te voorschijn en hij wenkt mij. Ik moet hem volgen. Tot mijn verbazing kan ook ik door de kast lopen. Het jongetje leidt mij naar een nis in de muur. Ik wist niet dat daar een nis was, ik kon het ook niet weten mijn kleerkast stond ervoor.
Hij heeft me de hand en samen stappen we door de nis. Ik kom terecht in een oudere versie van mijn eigen kamer. “Het is hier duister”, zegt het jongetje. “Te duister, jouw kast neemt mijn venster weg”. En het jongetje wees naar de nis. Geen woord kon ik over mijn lippen krijgen. Opnieuw werd het jongetje boos. “Geef me mijn venster terug!”, begint hij te roepen. Hij heeft me een duw en ik val dwars door de muur terug mijn eigen kamer binnen. Ik zie hoe papa en mama huilen. Zie hun tranen vallen op mijn lichaam. De plaatsen waar de tranen vallen voelen warm aan. Ik wrijf over mijn gezicht en ontwaak.

“Tommy!!”, roep mama bijna hysterisch. Papa rolt me in een deken en draagt me mee naar beneden terwijl mama de dokter belt. Terwijl ik in stilzwijgend staar naar mijn ouders hoor ik de stem van het jongetje. “Het is hier te duister, ik wil mijn venster terug”.

Nathalie Vilain “ Het jongetje uit de nis”
Geschreven voor Lien