Het huis - 4

Melissa werd wakker door een amechtig kuchende automotor, gevolgd door een aantal uitlaatknallen.
Ze deed het raam open en zag een klein, wat verveloos bestelautootje. Op de motorkap was een afbeelding van een grote roos met daaronder in kleine letters “en Piet”.
Roos keek naar boven en zag het verfomfaaide gezicht van Melissa.
‘Goede morgen, juffrouw Melissa. Lekker geslapen?’
Terzijde naar Piet: ‘Zie je wel?’
Die bromde: ‘Ja, je had het weer goed gezien. Jij kent het leven.’
Moeizaam hees hij zich overeind en betrad omzichtig het grind.
Hij keek nu ook naar boven. ‘Ik heb moeilijke voeten.’
Roosje had daar geen last van. Monter pakte ze emmer en bezems achter uit de auto.
‘We beginnen met de Biedermeier, Piet.’
Piet knikte berustend.
De Biedermeier? Hoezo de Biedermeier. En juffrouw Melissa? Of het was een vaudevillestukje, te haren behoeve opgevoerd, of ze was vannacht terug gegaan in de tijd. En wat bedoelde ze met “Zie je wel”?
‘Wat bedoelt u met “Zie je wel”, mevrouw Roos?’
Zo. Dat had ze vast terug gedaan.
‘Nou, ik zeg tegen Piet gisteravond, ik zeg, wedden dat ze daar blijft slapen. En ik had gelijk.’
‘Maar er is niks ge ….. ‘
‘Alles op zijn tijd, kind, alles op zijn tijd.’

Albertus kwam naar buiten gelopen.
‘Môgge, Roos. Môgge, Piet.’
Melissa mengde zich in het gesprek. ‘Môgge, Albertus.’
Die keek naar boven. ‘Goede morgen, juffrouw Melissa. Goed geslapen?’
‘Prima. Wat zie jij eruit.’
‘Hoezo?’
‘Nou, helemaal glad geschoren.’
‘Ja, doe ik eens in de twee dagen. Het is geen echte baard.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Het is een designer’s baardje. Die mag niet langer dan twee dagen staan, anders wordt het een echte baard. Dan is het niet achteloos meer.’
‘Zou je misschien best staan.’
Albertus keek enigszins verlegen. ‘Nou nee, een beetje vlassig. Kom maar naar beneden. Roos heeft een lekker ontbijtje meegenomen.’
Roos met haar voorzienige blik en onvermoede diepten.
Melissa dacht, dat ze maar beter een stop-knop kon inbouwen in haar recent getrokken plannetje.
Ze liep naar beneden, richting koffiegeur. Die bleek in een tuinkamer te ontspringen. De deuren naar de tuin stonden open en een gekwinkeleer van jewelste was hoorbaar. Op het gazon stond Jantien. Ze liep er naar toe.
‘Hoi, ben jij het hulpje van de tuinman?’
De geit keek haar afstandelijk aan. Het baardje ging langzaam heen en weer met het kauwen.
Weer een baard. En nog wel van een vrouw ook. Ze had geen zin om met een geit te wedijveren en liep terug naar de tuinkamer.
‘Niet echt een hartelijke geit.’
‘Komt wel, als ze je een beetje leert kennen.’

Watte? Leren kennen? Hier blijven? Roos en Jantien in één complot? Nou, ze doen maar. Dat maak ik wel uit.
Ze wijdde zich aan de croissants en koffie.
‘Zeg.’
‘Ja.’
‘Wat is de Biedermeier?’
‘Weet je dat niet? Dat is een binnenhuis-architectuur stijl.’
‘Ja zeg, ik ben niet idioot. Ik zei “de” Biedermeier. Met “de” ervoor.’
Albertus keek niet begrijpend.
‘Roos had het over “de” ……. ‘
Albertus hief de hand op.
‘Hou maar op, ik weet het al. De sex-heren hebben elk van de kamers een eigen stijl gegeven. Klassiek. Jugendstil. Carmiggelt-kroeg. En dus Biedermeier, met van dat bloemetjes-porselein en nog een lampetkan ook. En een kamerpo.’
‘Moet je het daarin doen?’
‘Als dat je on turnt.’
‘Hoebedoelu. Onturnt?’
‘Opwindt. In het Engels: to turn on. Dat moet jij op de Gracht toch wel eens gehoord hebben.’
‘Oh. Jawel. Maar meer in ontkennende zin. Zo van: rot maar op, you don’t turn me on.’
‘Oh. Ja. Wat turns je dan wel on?’
Melissa trok een nuffig gezicht. ‘Ja zeg, doe me een lol. Onder de croissants. Je belt de sex-heren maar voor ander gezelschap.’
Toch moest ze haars ondanks lachen. ‘Volgens mij ben jij hartstikke knettergek.’
Ze voelde plotseling iets nats tegen haar hand. Ze keek naar beneden en zag Jantien, die haar lippen tegen haar aan duwde.
‘Je bent in genade aangenomen. Ze heeft ons horen lachen, dan weet ze dat het goed volk is.’
‘Slim beest.’
‘Messcherp. Nou Jantien, zo kan-ie wel weer. Terug naar de tuin jij.’
Ze vertrok gehoorzaam naar de groene verten.

Melissa dronk genietend van de sterke zwarte koffie.
‘Lekker Roos. Daar komt een mens helemaal van bij. En je croissants zijn helemaal het einde.’
Roos glunderde. ‘Dank u wel, mejuffrouw.” Haar eigen grapje.
‘Zullen we op het terras gaan zitten, Mel? Ik heb zin in een peuk, maar ik mag van Roos niet in de tuinkamer roken.’ De eerste keer, dat Albertus zijn eigen versie van haar naam gebruikte.
‘Ja. Gezellig.’
Behendig draaide Albertus de sigaret en stak die op. Weer de zoetige geur.
‘Ik wil er ook wel een.’
Hier moest Albertus ernstig van hoesten.
Ze haalde haar schouders op. ‘Ja, wat denk je, elke avond op de Gracht in de kroeg.’
Albertus schudde even het hoofd en draaide er toen ook een voor haar. ‘Nog meer … ‘
‘ … aberraties? Nee. Een drankje op zijn tijd, maar met mate. Ik heb een zwak gestel.’
Albertus keek nog eens naar de volle vormen van zijn gast en dacht er het zijne van. Hij had de avond tevoren twee lege flessen moeten wegzetten.
Roos en Piet kwamen naar hen toe.
‘Meneer, hoe doen we het met de inrichting. Daar hebben we geen verstand van. Alles is schoon, maar er zijn dingen die in de kelder moeten. Denk ik.’
‘Zoals?’
‘Nou, op de Jugendstilkamer liggen nog wat zweepjes. En in de Rietveld zo’n grote … met handjes.’
Albertus schoot overeind. ‘Roos !!!!!!’
‘Ik geef slechts de werkelijkheid weer, meneer Albertus.’
Ze trok preuts haar schort recht.
‘Oh ja, voor ik het vergeet, juffrouw, zal ik uw bed opmaken of …..’
Ze liet de rest van de zin in de lucht hangen.
‘Nou, ik hoor het straks wel.’
Triomfantelijk liet ze hen in verlegenheid achter.

hendrik.