Katie en Bern

‘Dat was Katie’, zei de priester.
‘Dat was Katie’, zei Bern bevestigend.
‘Jij kent Katie.’
‘Dat is teveel gezegd. Hoewel ze niet zo moeilijk te lezen is.’
Hij vertelde van zijn ontmoeting bij haar thuis en de waarschuwing die visser Jonathan hem zonder woorden gegeven had. ‘Ken jij Katie, Sjarel?’
‘Niet goed genoeg.’
‘Om wat?’
‘Om een afgewogen oordeel over haar te hebben. Ze houdt zich altijd ver van me.’
‘Maar als jij geen priester was…’
‘Wie zal het zeggen. Maar jij bent niet geroepen , dus wat let je.’

Bern knikte en stond op. Langzaam liep hij het kerkhof op. Hij zag Katie bij een klein graf staan. Ze deed een bosje madeliefjes in een blikken bus.
Hij liep er voorbij, naar achteren. Er lagen bloemen bij het graf aan de muur. En een pakje. Hij maakte het open. De kluissleutel. Met een briefje. ‘Je kunt er in als je het nummer van het huis van je vader noemt.’
Hij zag het voor zich. Een klein koperen schildje. 187.
Hij zag Katie naar hem toe komen. Hij liep haar tegemoet. Waaarom wist hij niet, want ze kende het graf natuurlijk allang, met alleen dat tsarenkruis er op.
‘Een bekende?’
‘Ja. Of eigenlijk nee.’
Hij voegde er aan toe: ‘Mijn vader.’
Ze knikte. ‘Wie kent zijn ouders. De schimmen in ieders leven.’
Ze rekte zich uit. Hij zag haar borsten zich spannen onder de dunne blouse. Ze zag dat hij keek maar veranderde niet van houding. Haar haren vielen voor haar gezicht.
Bern schudde het hoofd. ‘Nee. Ik ben ernstig gewaarschuwd door Jonathan.’
‘Laat die maar aan mij over. Kom.’
Buiten bij de kerk stond haar auto. Ze keek naar Charles. Die lachte en liep naar binnen.
Ze reden naar de kust. Ze trok haar rok boven de knieën. ‘Het is warm.’ Ze had gebruinde hockey-benen.
Aan de kust reed ze naar een inham, waar een pad naar beneden liep.
Ze gingen met de rug tegen een rots zitten. De zee was vlak en weerkaatste de warmte van de zon.
‘Ben jij gebonden?’
Bern schudde ontkennend het hoofd. ‘En jij?’
‘Min of meer. Niet fanatiek.’
Ze zweeg even. Dan: ‘Durven we naakt?’
‘Ik zou niet weten waarom niet.’
Ze stond op en trok alle kleding uit. Bern volgde haar voorbeeld.
‘Wat heb jij een haar op je borst.’
‘Ja. Ik word wel de gorilla genoemd. Maar echt te klagen heb jij ook niet.’
‘Klootzak!’
Ze pakte hem bij de hand en trok hem naar de branding.

Zei de ene zeehond tegen de andere: ‘Weet jij wat die aan het doen zijn?’
‘Nee, maar ze hebben er goed weer bij.’

hendrik