Nieuw leven

Het was eenvoudig begonnen, zoals met veel drama’s in dit leven het geval is.
Jan Taselaar was gescheiden. Of eigenlijk was hij gescheiden geworden, want zijn Marie had er geen zin meer in.
‘Ik kan wel beter krijgen dan zo’n dooie lul.’
Dat was onredelijk, want welk deel van Jan er ook dood mocht zijn of stervend, dat allesbehalve. Maar voor Marie was dat irrelevant. Ze wou weg. Ze wou naar Chris, in Nieuw-Zuid.
Echter, om misverstand te voorkomen, het vertrek van Marie was niet het hoofd-drama. Dat was Mitzie. Mitzie? Ja, Mitzie. Wie in godesnaam is Mitzie? Geduld, alles op zijn tijd.

Jan moest zijn leven nu gaan herinrichten. Niet helemaal, want Jan was ook niet gek en had zijn belangen goed afgeschermd. Misschien was dat ook wel een reden geweest voor Marie het echtelijk huis te verlaten en bij Chris in te trekken.
Maar Jan kon dus doen wat hij wilde met zijn tweede verdieping op de gracht.
Om te beginnen gooide hij alles wat modern was -dus wat van de OKEA kwam- het raam uit. Niet helemaal op straat, want hij had een bakfiets geleend van zijn vriend Arie, die hem ook hielp de boel op te laden en bij derden te slijten.
De rit voerde nu naar Oom Frans, die een handel had in gebruikte meubelen en geen bezwaar had tegen een voordelige ruil. Een groot eiken buffet met tierlantijnen, etagères, trijpen leunstoelen met balpoten, het kon niet op. Jan en Frans kwamen met wat geharrewar tot een bevredigende overeenkomst.
De volgende stap was geweest de nieuwe boel bij Jan op de gracht naar binnen te hijsen. In de nok van de gevel was gelukkig nog zo’n hijs-balk, waarmee alles naar binnen kon werd getakeld.
Arie en Jan lagen amechtig terneer en schonken zich een dubbel-gebeide in. Een jenever-vorm, die ook wel wordt gebruikt om vastgeroeste metalen delen weer van elkaar te scheiden. De wijn had Marie meegenomen, dat was ze aan haar stand verplicht, vond ze. Dat was Jan een zorg geweest, want dat gekleurde water deed hem niets. En hij kon er zeker niet verheerlijkt bij kijken en tongklakkend zeiken over het bouquet en de afdronk. Pils was zijn keus. Geen bier, nee, pils.
Arie keek naar buiten. ‘Zeg Jan, eigenlijk mis ik wel iets.’
‘Wat dan, Arie?’
‘Nou, als ik de gracht op kijk, kan ik maar één kant tegelijk zien.’
Jan kwam naar het raam. ‘Ja, verdomd. Ik moet steeds mijn hoofd draaien. Erg vermoeiend.’
De mannen keken elkaar aan, verlieten als één man het pand, en gingen weer naar Oom Frans.
‘Zeg Frans, heb jij misschien nog ergens een spionnetje? Ik kan geen moer zien op de gracht, als ik binnen zit.’
Daar moest Frans even over nadenken. ‘Nou, nee, die dingen worden niet meer gemaakt.’ Hij krabde zich op het hoofd. ‘Maar als je even naar hiernaast gaat, bij Stien. Die heeft zo’n ding nog wel.’
En jawel, daar was het spiegeltje, in volle glorie, zicht biedend op alle verborgen delen van het buitengebeuren. Stien zat voor het raam, op de begane grond.
‘Ha, die Jan’, zei Stien. ‘Is ze opgerot?’
Jan knikte.
‘Kapsones wijf’, zei Stien weer. ‘Kan ik je helpen?’
Stien droeg haar gevorderde leeftijd nog met prontheid en keek er bij of ze wel wist waarmee ze Jan kon helpen.
Jan liep naar het raam, ging op de stoel er bij zitten en keek naar buiten. En jawel, alles was zichtbaar, zonder dat hij het hoofd hoefde te draaien.
‘Zeg Stien.’
Die had wel gezien wat Jan aan het doen was en zei lijzig: ‘Jaaa, Jâân.’ Met zo’n uithaaltje.
‘Zeg Stien, zit jij nog wel eens bij het raam?’
‘Soms. Ik heb het eigenlijk allemaal wel gezien. Want wat gebeurt er nou eigenlijk, op deze kutgracht. Als er wat interessants is, gaan ze dat echt niet hier onder mijn raam uitvoeren. Dat gaat naar een hotelletje, en dan zie je weer niks.’
‘Misschien denken ze wel dat jij daar niet voor niks zit.’
‘Ja, gelijk heb je. Ik zie wel eens mannen twee handen opsteken.’
‘Wat bedoelen ze daar dan mee?’
‘Nou, gewoon een meier voor een vluggertje.’
‘Dat is wel snel verdiend.’
‘Ga toch weg, man. Mijn AOW is meer.’
Ze zette zich in de zorg, zoals zo’n stoel op de gracht heet. Ook zo’n houten bakbeest, waarin ze haar weelderige vormen moeiteloos kwijt kon.
Ze schonk bier in. ‘Proost jongens, dat je maar gezellig oud mag worden. Mitzie zal ook wel blij zijn dat ze weg is.’
Jan keek Arie aan. Arie keek Jan aan. ‘Heb jij Mitzie gezien?’
‘Nee, eigenlijk niet.’
Jan stond op.’Ogenblik, Stien, ik moet even…’
Hij rende naar zijn eigen huis en keek de kamers rond. Geen Mitzie.
‘Mitzie? Waar ben je? Kom maar gauw bij Jan. Ik heb een lekker hapje voor je.’
Hij deed de koelkasrt open en haalde smeerworst er uit. Hij zwaaide er mee rond. ‘Kom dan. Lekker Kip’s voor je.’
Want niets was te goed voor Mitzie. En waar Marie merkwaardigerwijs ook gek op was.
Jan schoot overeind. Marie? Mitzie? Nee, hè? Maar het huis was en bleef leeg.
Hij rende terug naar Stien en Arie. ‘Mitzie is weg.’
Hij viel ontdaan neer in de stoel bij het raam. Hij keek naar buiten. Maar nee, daar ook niks.
Stien keek hem aan. ‘Weg?’
Jan knikte. Stien ook, begrijpend.
‘Oh, die heeft Marie natuurlijk meegenomen. Naar die Chris. Pokke wijf.’
De telefoon ging. ‘Met Stien. Jan? Ja, die zit hier bij me. Ogenblikje.’
‘Je vrouw.’
‘Marie?’
‘Ja, heb je er nog meer dan? Die heeft gegokt dat je wel bij mij zou zitten.’
Jan trok zijn schouders op en nam de telefoon aan.’Met Jan…ja, dat heb ik gemerkt. Is het goed met haar…hoe bedoel je, als ik wat…wat? De alimentatie?…hoeveel?…rot toch op, mens…hoe bedoel je, Mitzie…nou, dat zullen we dan wel eens zien. Ik weet wel waar je bent.’ Hij gooide de telefoon neer.
‘Ze wil zestig procent van mijn uitkering, anders krijg ik Mitzie nooit meer te zien.’

De drie grachtbewoners nipten bedachtzaam van het bier.
‘Daar moeten we wel wat aan doen.’

hendrik