Een kind in mijn armen, fragment

Dit is een fragment uit een langer verhaal, de aanzet tot een kort verhaal

Misschien begint dit verhaal op een dag in een zomer. Op een dag die tot nu toe in mijn geheugen gegrift staat, alhoewel het de vraag is of het allemaal werkelijk heeft plaatsgevonden. Dit verhaal begint op een dag in een zomer op een strand. Het strand is witter en leger dan gewoonlijk. Ik loop daar met een man naast me en ik denk dat die man mijn eigen man is. Hij en ik komen geen andere mensen tegen. Het strand is zo verlaten dat het bedreigend zou zijn als ik er alleen zou lopen. We lopen over dat strand en we passeren meeuwen die ons met harde gele ogen nastaren en hun smetteloos witte veren glanzen in de zon. Langs het water kruipen zalmkleurige krabben over het zand; hun poten hebben scharnieren en hun schilden hebben blauwe schimmelige barsten. Er hangen draden felgroen wier aan en witte zeepokken kleven als puisten aan hun harnas.
De zee is blauwer en groter dan gewoonlijk. De lucht boven het water is van het soort blauw dat je slechts in dromen ziet. Daar, ergens in dat machtige blauw, brandt het oog van de hemel. Het oog kijkt op ons neer en ik voel dat het naar ons kijkt.

God is een cycloop.

Verblindde het oog van God mijn ogen niet dan waren het mijn ogen die het oog van God zouden verblinden. Om te begrijpen hoe mijn ogen zijn oog zouden verblinden moet men naar binnen zien. Ik droeg een kind in mijn armen, een meisje, en ze sliep.

Andreas Blender