Wat kost dat schilderij?
Painting%20Daphne2.jpg

Het schilderij uit dit verhaal, olieverf op doek, 30 x 40 cm. Verkocht, maar nooit betaald en nooit opgehaald.

Het was een verschrikkelijke winter en hoewel ik schrijfster wilde worden, deed ik niets anders dan schilderen. Ik had geen geld meer om te eten omdat ik mijn laatste geld besteed had aan schilderslinnen, verf, shag en vruchtenlikeur. De likeur dronk ik om ’s nachts de slaap te kunnen vatten. Tientallen muizen, die door mijn kamer kropen, hielden me al wekenlang wakker. Het maakte me niet uit. Ik had voortdurend koorts en een venijnige hoest die maar niet over wilde gaan. Evengoed rookte ik oude peuken uit de asbak op en liet de tabac mijn longen schroeien.

Amsterdam was ijskoud. De straten donkerblauw van ijs en spekglad. De grachten lagen dicht en eenden zag je nergens meer. De bomen waren kaal maar wit, alsof ze geglaceerd waren met een dikke laag suiker.

De kachel op mijn zolderkamer had het opgegeven. Dag en nacht droeg ik al mijn kleren over elkaar heen en zittend op een gammele stoel, smeerde ik verf op doeken. Ik fantaseerde over kleurige vrolijke doeken met tropische vogels, maar wat ik ook deed, het werden altijd sombere schilderijen met droefgeestige monsters.

Beneden mij woonde een Hongaarse met grote ronde ogen. Ze was klein - een minivrouwtje - met mollige handen en opvallend corpulente benen. Aan haar kleren kon ik zien dat we nooit vriendinnen zouden worden. Ze droeg geplooide rokken van geruite wollen stof en witte bloesjes met parelknopen. In haar oren glinsterden gouden ringen met diamanten. Als ik haar tegenkwam op de overloop, glimlachte ze vriendelijk maar afstandelijk. Ze keek me angstig aan met haar opvallende ogen. Ze liep me altijd snel voorbij. Ik had de indruk dat ze me ontweek. Misschien zag ik er ook wel raar uit met al die lagen kleren over mijn skeletachtige lichaam heen. Ik had al maanden niet goed gegeten. Al mijn geld ging op aan drank en sigaretten en olieverf. De Hongaarse had de gewoonte gekregen om haar voedsel ’s nachts uit de gezamenlijke ijskast te halen en het in een buffet op haar kamer te verstoppen, uit angst dat ik er stiekem kleine stukjes vanaf zou breken omdat ik omviel van de honger. Tegen de muizenplaag die ik veroorzaakt had, had ze een kat aangeschaft die haar kamer schoonhield van het ongedierte. Ze besteedde verder geen aandacht aan me. Op een dag stak ze echter opeens haar hoofd om de hoek van mijn kamer. Ze deinsde in eerste instantie achteruit toen ze de bedorven stank rook. Mijn kamer lag bezaaid met conservenblikken waar muizen in en uit kropen. Ze trok een wenkbrauw op en fabriceerde met haar vlezige lippen iets wat op een glimlach leek.

‘Mag mijn vader je schilderijen eens bekijken?’

Ze overviel me. Zolang als we al samen in hetzelfde pand woonde had ze nog nauwelijks een woord tegen me gesproken.

‘Mijn vader,’ vervolgde ze, ‘mijn vader is geïnteresseerd in kunst. Hij is nu op bezoek…’

Ik twijfelde. Ik wreef in mijn verkleumde handen, blies erin, hoestte… ‘Het is hier nogal een troep. Ik kan nu even niemand ontvangen.’

‘Hij heeft geld,’ zei ze veelbetekenend. 'Veel geld..'

Ik keek in haar glanzende ogen. Twee perfecte kastanjes.

‘Hij is wel wat gewend…’ voegde ze er aan toe. 'Rommel deert hem niet. Hij werkt in de psychiatrie, als…’ ze stopte even met spreken, 'als psychiater.'

Haar stem klonk dik. Alsof ze een strak touw om haar hals droeg.

Ik was enigzins onder de indruk. Een man die gestudeerd had wilde mijn schilderijen bekijken. ‘Goed dan. Het kan wel even.'

Meteen nadat ik had toegestemd deed ze de deur verder open en haar vader liep mijn kamer binnen. Hij was misschien nog kleiner dan zijn dochter. Een mager mannetje in een te ruim pak en op zijn hoofd een hoed, die hij even afnam om mij te begroeten. Onder zijn neus blonk een dunne ingevette snor. Zijn ogen waren net zo rond als de ogen van zijn kind, maar niet zo donker. Hij keek me argwanend aan, onderzoekend, toen glimlachtte hij formeel. Hij knikte en keek van mij weg, naar de schilderijen die overal in mijn kamer tegen de muren aanstonden. Het een nog zwartgallige dan het andere.

‘Interessant,’ merkte hij op. 'Ik vraag mij af waar je aan denkt als je zoiets schildert.’ Hij wees naar het schilderij op de ezel. Een bruin doek met in het centrum een donkerblauw creatuur met een snavel. Het zweefde op benige vleugels boven een veld vol bloemen, die geen bloemknoppen hadden, maar tongen. De vogel beet in een tong alsof hij hem af wilde rukken. Het dier was in gevecht met zijn omgeving. De tongen hadden iets sensueels. Als ik er te lang naar keek kon ik het dier schril horen schreeuwen. Een bang reptiel. Het was een morbide schilderij, heel deprimerend.

‘Mag ik naderbij komen?’ Vroeg hij.

‘Natuurlijk’ Ik deed een stap voor hem opzij. ‘Het stelt niet zoveel voor.’

Hij liep naar het doek en boog zich voorover om het beter te bekijken. Zo bleef hij een tijdje staan, met zijn glimmende schoenen tussen een paar blikjes waar vis in had gezeten, lege drankflessen en beschimmeld brood.

'Wie zou dat wezen op dit schilderij kunnen zijn?' vroeg hij.

Ik haalde mijn schouders op. 'Het is niemand,' antwoordde ik. 'Het komt gewoon uit mijn penseel als ik niet nadenk…'

'Dat dacht ik eigenlijk al…' Hij wreef met zijn vingers over zijn snor. 'En wat kost dit schilderij?' vroeg hij.

'Hoe bedoelt u?' vroeg ik.

‘Ik bedoel hoeveel ik ervoor betalen moet. Ik praat over geld. Zo te zien kun je wel een kachel gebruiken.' Hij rechtte zijn rug, grijnsde een rij kleine gele tanden bloot en vervolgde: 'ik bied je honderenvijftig gulden voor dit werkje.'

‘Honderenvijftig gulden,’ herhaalde ik.

Hij trok zijn beurs. Een portefeuille van slangenleer, die hij met zijn dunne vingers opende. Aan de binnenzijde zag ik een dik pak geld zitten.

‘De verf is nog niet droog,’ zei ik verontschuldigend.

Hij snoof met zijn neus. Sloot zijn beurs weer en stak hem in zijn binnenzak.

‘Als je je bedenkt, zeg het dan tegen mijn dochter,’ zei hij. 'Ik ben bereid er 10 gulden bovenop te leggen, meer niet.'

Net zo onverwachts als hij mijn kamer was binnengekomen, vertrok hij weer, met zijn dochter in zijn kielzog.

Bij de deur bleef de Hongaarse staan. Ze draaide zich naar me om en keek me vuil aan. ‘Je hebt niets te eten en je leeft als een rat. Je ziet eruit als een lijk. Mijn vader is geïnteresseerd in mensen zoals jij. In lui die niet weten hoe ze leven moeten. Hij denkt dat je jezelf binnenkort van het dak zult gooien. Daarom wil hij het kopen, om je te helpen.' Ze lachte schamper. 'Hoe kun je zijn aanbod weigeren? Je rot hier weg. Honderenvijftig gulden is een hele hoop geld…’ Ze tilde even haar kin op, waardoor ze me een seconde aan een beul deed denken. Toen trok ze de deur met een klap achter zich dicht.

Die avond vernielde ik bijna al mijn schilderijen met een mes en gooide de reepjes linnen uit mijn zolderraam naar buiten. Ik zag ze op een geheimzinnige witte wind naar beneden zweven. Ze landden in tuinen en op daken als dikke sombere sneeuw.

Buter