Dybbuk

Wintertijd komt eraan in De Haan aan zee. De bomen in de talrijke bossen worden heen en weer gewiegd door de wind, dat geruisloos toeslaat maar zich duidelijk voelbaar maakt. Ze snijdt in mijn wangen en mijn ogen tranen naar meer. De lucht is gevuld met een zekere kopergehalte, en ik geniet ervan. Lou, mijn hond, wandelt lustig met me mee en wacht steevast trouw op het einde van elk padje…..

Hoewel het nog maar zes uur in de ochtend is zie ik op terugweg naar huis Pauline, onze buurvrouw, haar stoep uitvegen. Zoals gewoonlijk heeft ze haar kamerjas aan. Haar haren draagt ze in een wirwar rondom haar gezicht, alsof het eraan geplakt is. Ondanks haar zestig jaren, gedroeg ze zich met succes als een tachtigjarige. ‘Goedemorgen Pauline, goed geslapen?'. ‘Ik weet niet wat goed is aan deze morgen', moppert ze terug. ‘Het is koud, erg koud'. ‘Nou dat is net goed, zo worden de ziektekiemen in de lucht gedood'. ‘Poeh', antwoordt ze mij en schud zwaar met haar hoofd. Lou stond al aan de voordeur te wachten. Ik opende de deur en ging naar binnen terwijl ze zich tussen mijn benen schoot richting zetel. ‘jij luie trien', lachte ik haar toe.

Ik aaide haar tussen de oren en spontaan toonde ze mij haar buik. ‘gluiperd'. Ik aaide haar nogmaals op de buik. ‘tot vanavond meid', riep ik haar toe terwijl ik mijn autosleutels zocht. Ondertussen was het tien voor zeven en op straat was nog geen mens te zien. Behalve dan in de verte een jogster. Terwijl ik haar naderde dacht ik bij mezelf hoe moedig ze wel was om in deze wind te gaan joggen. Haar haren waren zilvergrijs en ze droeg een korte zwarte broek en een roze T-shirt met lange mouwen. toen ik ongeveer op gelijke hoogte was met haar sprong ze opeens opzij. Ze kwam daardoor onder de wielen van mijn wagen terecht. Ik schrok en begon te remmen als een gek. Ik vloog, ondanks mijn gordel, met mijn hoofd tegen het stuur en voelde een doffe pijnscheut bij mijn rechteroog. ‘Die vrouw', riep ik luidop. Vliegensvlug stapte ik uit. Ik liep naar de achterkant van mijn wagen maar vond niemand. Ik liet me zakken op mijn knieën om de onderkant van de wagen te bekijken…niets. Dan moet ze in de struiken liggen. Maar ook daar lag niets of niemand!. Hoe kan zoiets nu, ik ben toch niet gek?

Was ik in slaap gevallen achter het stuur? nog half versuft stapte ik terug mijn wagen in. Via mijn achteruitkijkspiegel zag ik dat ik een kwalijke buil had ter hoogte van mijn rechterslaap. Een dun straaltje bloed liep uit een kleine wonde. Ik depte voorzichtig met een papieren zakdoek het bloed weg, plots begon achter mij een andere auto luid begon te toeteren. Ik zag een heethoofd met zijn armen zwaaien en hoorde hem luid brullen tot in mijn wagen. ‘goed jong, goed, ik rij al door'.

Op mijn werk aangekomen zag ik bijna scheel van de hoofdpijn. ‘wat is er met jou gebeurd?'. Lise, mijn collega sinds jaar en dag keek me bezorgt aan. ‘ssstt, niet zo hard Lise'. ‘Wat is er met jou gebeurd?', herhaalde ze haar vraag bijna fluisterend. Ik plofte me in mijn bureaustoel en vertelde haar het hele gebeuren. Nadat ik mijn verhaal heb gedaan keek ze met grote ogen aan. ‘Dus je hebt niemand aangereden dan?. ‘Dat vertel ik toch juist!'. ‘Ik reed wel iemand aan, maar toen ik uitstapte om te kijken was ze weg!'. ‘ik denk dat ik een kopje thee maak voor jou'. ‘Zeg je denkt toch niet dat ik gek ben of zo?', riep ik haar nog na. Maar ze antwoordde mij niet meer. Het werk verliep vlot en ik dacht niet meer na over het voorval van deze morgen. Ook Lize sprak er niet meer over en ik was daar blij om. Misschien was ik inderdaad gewoon in slaap gevallen…

Ik was erg blij eindelijk thuis te zijn en Louke was evenzeer gelukkig. ‘heb je me gemist meid?'. Het kwispelen van haar staart vertelde me boekdelen. Ik deed haar leiband om en stap naar de gang. Ik staarde naar de staande spiegel en zag dat mijn buil nu blauw geworden was. Dat werd ongetwijfeld een blauw oog morgen. Lou jankte en ik deed de deur voor haar open. We liepen voorbij het huis van Pauline, de stoep lag er mooi en opgeruimd bij, maar zelf was ze in geen velden te bespeuren. Ik wandelde richting bos. In het bos zelf mocht Lou haar leiband altijd af. Ze spurtte als een gek tussen de bomen. ‘Niet te ver he', riep ik haar na.

En dan opeens vanuit het niets kwam die kilte op mij af. De lucht was al koud dat wel, maar die kilte was iets anders. Ik zette de col van mijn jas recht en treurde om het feit dat ik mijn handschoenen was vergeten. ik hoorde voetstappen naderen en draaide me om. Maar staarde naar een leeg bospad. Die klap moet mij nog parten spelen dacht ik bij mezelf en ik wreef voorzichtig over de pijnlijk plek. en toen zag ik het, de jogster met zilvergrijze haren. Haar kledij was identiek, een zwarte broek en een roze T-shirt met lange mouwen. ik was opgelucht en tegelijkertijd boos. Opgelucht dat ze inderdaad niets mankeerde na vanmorgen en boos om wat er was gebeurd. Ik zou er haar toch over aanspreken.

Naarmate ze naderde zag ik toch dat er wat verkeerd was. Haar ogen hadden een lege uitdrukking en hoe dichter ze kwam, het killer het werd. Ik moet eerlijk zijn dat mijn boosheid plaats ruimde voor angst. Ik zou haar niet aanspreken, neen, ik zou haar ontwijken en gewoon verder wandelen. De jogster kwam op mij af gelopen en ik week opzij. Maar dat deed zij ook, ze ging gewoon frontaal tegen mij botsen als ze niet uitweek. ‘Hey, pas op je gaat tegen me aan zitten', riep ik zo hard ik kon. Ze begon te grijnzen en liep gewoon verder tot ze met een smak tegen me aankwakte. Ik viel hard op de grond en verloor het bewustzijn.

Toen ik mijn ogen opende zat Lou naast me. De avond begon te vallen en ik had het erg koud. Ik sprong in paniek recht en keek rond me. Er was niets meer te zien, de jogster was verdwenen. In paniek begon ik te denken dat ik echt ziek aan het worden was. Er zat iets in mijn hoofd dat niet zuiver was, ik moest hulp hebben. ‘kom Lou' beval ik haar. ‘We gaan naar huis'. Maar Lou bleef zitten, ze verroerde geen vin. ‘Lou kom hier!. Maar koppig bleef ze waar ze was. Toen ik haar leiband wou omdoen liep ze grommend achteruit. ‘Ben je nou gek geworden Lou?'. ‘Hier zeg ik, hier!'. En toen ging het mis. Lou snauwde naar mijn hand maar miste die net. Ik schrok en stapte op mijn beurt achteruit. Lou rende weg en enkel ogenblikken later was ze uit het zicht verdwenen. Hoe ik haar ook riep, ze kwam niet terug.

Ik stapte naar huis, de avond was gevallen en ik huilde om mijn hond en alles wat was gebeurd. Flitsen gingen door mijn hoofd, het was alsof ik niet meer helder kon nadenken. Ik voelde me beroerd en ging bij mijn thuiskomst onmiddellijk de dokter bellen. Ik deed de deur open, stapte van de gang naar de woonkamer voorbij de spiegel. abrupt stopte ik. Had ik nou net een roze flits gezien in de spiegel? Voorzichtig stapte ik terug. En daar in mijn spiegelbeeld stond de jogster. Ik greep naar mijn haren en zag hoe het spiegelbeeld greep naar zilvergrijze haren. ik zakte op mijn knieën en begon te huilen, het spiegelbeeld huilde niet mee, het staarde mij aan en grijnsde…

Nathalie Vilain.