Déjà vu II

Déjà vu II

Opnieuw die gang, nu donkerder en dreigender. Gordijnen wapperen als zilver door de lucht. De lucht voelt zwaar aan maar het blijft herkenbaar. Ik was hier eerder, maar toch anders. Er staan zover mijn oog kan reiken stoelen aan de linkerkant van de gang, zomaar keurig naast elkaar. Op elke stoel zit een persoon met het gezicht naar de muur. het lijken klonen want het is steeds dezelfde persoon die daar zit. Terwijl ik naar hen staar draaien ze één voor één langzaam het hoofd. Hun mond opent zich, maar er komt geen geluid. Ik blijf staren tot iets blinkends mijn aandacht eist, water.

Een bries speelt zacht door mijn haren. Het wordt kouder en ik wandel ondertussen tot mijn knieën in het water. Af en toe voel ik iets langs mijn been glijden, iets warms. Even sta ik stil en kijk naar beneden. Tussen mijn benen zwemmen kinderen. Ze zien er veel ouder uit dan dat ze zouden mogen zijn, ze zien er zelfs afgetakeld uit. Af en toe wrijft er ééntje over mijn benen en het geluid die daaruit geboren wordt kan je vergelijken met het wrijven van een nat stuk leer op glas. Piepend, knarsend. Ik krijg een rilling over mijn rug en angst krijgt een plaats. Opeens zwelt gefluister aan. De personen op de stoel spreken, maar het blijft onherkenbaar gefluister.

Ik zou willen weglopen, maar het water maakt me langzamer. De kinderen in het water hangen nu met teveel aan mijn benen en ik zak op handen en knieën. De handjes lijken me naar beneden te willen duwen. Ik verzet me, maar ze zijn met zoveel meer. Ik begin te huilen, machteloosheid maakt zich van mij meester en ik laat me meezakken in het water. Net voor ik kopje onder ga ebt het water weg. De kinderen sterven voor mijn ogen in de diepte. Even ga ik op mijn knieën zitten en staar naar de lege vloer. Ik heb het nu bitterkoud. Mijn huid voelt te klein aan om mijn lichaam te bedekken. De stoelen aan de linkerkant zijn leeg. alles verdween samen met de kinderen.

Ik sta op. Voor mij beweegt iets, een schim. Ik begin luid te roepen. Het geroep mist zijn effect niet want alles blijft nu stil. Ik zet een stap vooruit om dichter te komen. De schim blijkt hetzelfde te doen. Ik raap mijn moed bijéén en loop met uitgestrekte armen vooruit. Ik bots met een harde knal tegen iets aan en val neer. Voorzichtig tast ik de ruimte voor mij af. Ik voel koud gebarsten glas. Ik kom overeind, nog steeds het glas aftastend. Één van de barstjes geeft licht. Daglicht. Door het barstje tuur ik naar een prachtige bosrijke tuin. Er ligt een kind in het gras en een volwassen man houdt een schop in de hand. Ik probeer te volgen wat er gebeurt tot plots een warme hand opnieuw mijn been aanraakt. Langzaam draai ik me om, zie het kind dat in het gras lag voor me staan…