Déjà vu

Ik wandel blootsvoets door een duistere gang. Mijn haren dansen op mijn rug en hoewel de duisternis blindend zou moeten zijn, zie ik in schemering waar ik moet stappen. Licht vergeelde gordijnen zweven zachtjes door de lucht en de kilte van het ogenblik nestelt zich onder mijn huid. Er loopt een kleine schaduw voor mijn voeten en ik hoor vaag gegiechel gemengd met fluistering. Er rolt iets mijn richting uit en stopt vlak voor me. Ik buig door mijn knieën en raap het op. Een appel. Mooi blozend in mijn hand. Het gefluister zwelt even aan en sterft dan bijna geruisloos. Ik kijk om me heen maar zie enkel de gordijnen wapperen in de lichte bries.

Terwijl ik verder stap neem ik een hap van de appel. Ze is zo sappig dat het vocht door mijn vingers naar mijn hand loopt. Het druppelt zacht op de vloer en het voelt warm aan. Ik wil een tweede keer bijten maar de appel begint te kloppen in mijn hand. Het vocht kleurt rood, de appel is een hart geworden. Ze pulseert bloed uit haar bijtwonde en ik laat haar vanuit mijn schrikeffect vallen. Het vallen zelf blijft een eeuwigheid duren en wanneer ze met een veel te luide plof de vloer raakt spat ze uiteen als een rode kristallen vaas.

In mijn rechterooghoek zie ik iets bewegen. Ik draai me om en zie een witte hond op mijn afkomen. Angst heb ik niet want het dier ziet er niet dreigend uit. Terwijl het op me afkomt wordt het groter en groter. Op een bepaald ogenblik gaat de hond liggen en kronkelt zich over de vloer vlak bij mijn voeten. Ik buig voorover om beter te kunnen kijken. Voor mijn ogen beginnen de haren van de hond te veranderen. Het dier krijgt benen en armen en voor ik het weet staren groene ogen in de mijne. Het staat op, ik kijk nu naar een jonge vrouw. Vliegensvlug grijpt ze mijn arm. Haar greep brandt zich in mijn huid en ik begin te gillen. Haar hoofd valt opzij en als een lappenpop stort zij terug in elkaar. Haar lichaam vloeit uiteen tot een grote plas en ik begin uit angst te lopen. Ik besef dat ik niet vooruitkom en begin luid te gillen. Het gegiechel zwelt opnieuw aan en ik val. Terwijl ik val ontwaak ik…

Het gegiechel blijkt gehuil te zijn van mijn eigen kind. Half versuft sta ik op en ren naar de deur. Haar kamer bevindt zich op het einde van de gang. ik wil het licht aansteken maar deze wil niet te werken…