De volwassen mens (3)

(vervolg van De jonge mens)

De volwassen0 mens

En hierdoor ontdekt hij dat andere zelfbewustzijnen ook abstracties zijn van de objecten zelf, en ziet eigenschappen van anderen die hijzelf ook heeft, en ziet verschillen.
Het zelfbewustzijn van de jonge mens ontdekt dat andere zelfbewustzijnen afwijken1 van zichzelf, maar anderen ook op zichzelf gelijken2. Hierdoor vormt zich gelijkenis3 en tegenstelling4 in het denken. Door verbondenheid5 worden de gelijken als verheven6 gezien, de tegengestelden als onderdrukt7. De heren8 staan boven de knechten9, de knechten buigen. Overheersing10 ontstaat, de Heer-knecht-schap-verhouding is ontstaan!



0. volwassen = 'vol-wassen' is vol-groeid, uitgegroeid
1. afwijken = uit de weg gaan, een andere richting aannemen, niet overeenkomen, afwijken van de algemene norm, orde;
‘orde’ komt van latijns ‘ordine’, volgorde, rij, rang, regel, geestelijke of ridderlijke orde; regelmatige plaatsing of schikking van iets; regel, regelmaat
2. gelijken = komt van ‘gheliken’ is gelijk zijn aan, lijken op, toeschijnen; ook oorspronkelijk van behagen, houden van, bevallen
3. gelijkenis = (ghe)likenes(se) van overeenkomst, gelijkheid in bepaald opzicht, gelijkstelling, gedaante (overeenkomst in uiterlijke vorm), gelijk beeld, parabel
overeen-komst = gelijk bij elkaar komen; ‘ komen’van ‘cōmen’, een plaats bereiken, afkomstig zijn van
4. tegenstelling - tegengesteld(heid) = juist andersom, ‘ gesteld’ is in een toestand verkerend; ‘stellen’ is in een bepaalde toestand brengen, richten, plaatsen, leggen, zetten
5. verbondenheid = ‘verbonden’ is samenbinden, verenigen; ‘ verbond’ = overeenkomst
6. verheven = boven de ander, voornaam, boven iets anders uitstekend, staand boven de mens
7. onderdrukt = naar beneden gedrukt, minder zijn, nu door overmacht in bedwang houden; met enige kracht dringen, laag houden, buigen, kwellen
8. heer = comparatief van ‘her’, verheven, voornaam, heilig; heer is man van stand, eigenlijk die gebiedt over anderen
heerlijk = van ‘heerlijc’ is kostbaar, heerlijk, aanzienlijk
‘heir’ is leger, Bijbel heirscharen = legerscharen, legerschaar = heerschar, strijdmacht
9. knecht =’ cnecht’ jongeman, jongen, bediende, knaap, dienaar= jongen die bedient; nooit in de verhouding ouder tot zoon; soldaat, ridder, verwant met het engelse ‘knight’
10. heersen = van ‘heerscen’ , heer-sen de macht van een heer hebben