De Reiziger

Hij zat in een treincoupé en krabbelde met een pen op een vel papier. Er verscheen een lange kriebelige lijn van links naar rechts. Er stonden al een heleboel van die slierten onder elkaar. Sommigen hadden een deuk, anderen weken af naar boven of beneden. Die afwijkingen zetten zich slierten lang voort om dan geleidelijk te verdwijnen. Er was van alles met die slierten. En met elkaar gaven ze een raar maar toch ook boeiend beeld. Een landschap van dezelfde letter.
Het jongetje tegenover de reiziger keek nieuwsgierig toe. Het was hem een raadsel wat die man daar deed. Eigenlijk leek het op een lang verhaal. Maar dan geschreven met steeds dezelfde letter. Maar het was geen schrijven en tekenen kon je het ook niet noemen.
De reiziger keek op en zag de jongen kijken. Hij glimlachte vriendelijk en zei: ‘Dit is een lijn die de reis van Amsterdam naar Groningen voorstelt.’
‘Kom,’ zei de moeder van het jongetje, en ze trok hem bij die vreemde man vandaan.
‘Gek hè?’ zei de reiziger. ‘Toch is het kunst, net als een schilderij. Op een schilderij zie je een moment. Deze lijn laat de hele reis zien. Als je goed kijkt kun je precies zien wat er allemaal gebeurde. Dat is toch wel bijzonder!’
Het jongetje keek aandachtig naar het grote vel papier.
‘Ik heb ook een vel met daarop de reis van Alkmaar naar Utrecht,’ verklaarde de reiziger. ‘Wil je die zien?’
Het jongetje knikte geestdriftig. De moeder keek wantrouwig toe. De reiziger haalde het vel te voorschijn uit zijn tas. Het handschrift zat vol bobbels, deuken en andere onregelmatigheden.
‘Mooi?’ vroeg hij.
Het jongetje knikte.
‘Ik heb hier ook New York Amsterdam,’ zei de reiziger. ‘Maar niet compleet, want toen ben ik in slaap gevallen.’
Hij liet het kunstwerk zien. Een lange haal in het midden gaf aan waar hij in slaap gevallen was.
‘En nou heb ik warempel dit kunstwerk onderbroken omdat ik jou m'n werk wilde laten zien,’ zei de reiziger, ‘maar dat is niet erg. Als mensen mijn kunst mooi vinden stop ik altijd om er over te vertellen.’
Hij keek uit het raam naar het landschap.
‘Het is bijzondere kunst,’ merkte hij op. ‘Al die letters netjes naast elkaar stellen niet veel voor. Maar alle invloeden van buitenaf maken er iets van. Dan wordt het interessant. Zou je Rome Boekarest willen zien?’
Het jongetje knikte.
Maar voordat de reiziger het vel papier had kunnen pakken begon de trein af te remmen.
‘Dat is jammer,’ merkte de reiziger op. ‘Zoiets moet nou op papier. Dat geeft sfeer aan het geheel. Maar goed, niets aan te doen.’
Hij liet het jongetje Rome Boekarest zien.
‘Kijk, het is nog steeds een s. Maar daar gebeurt van alles mee. Je ziet waar de trein de bocht nam en waar hij is gestopt. En zo zit er van alles in. Dat zie je later allemaal weer terug.’
Het jongetje keek hem gefascineerd aan. De moeder keek verveeld uit het coupéraam.
‘Dit doe ik al heel lang,’ zei de reiziger. Het was meer of hij hardop dacht.
‘Iedereen mag ze bekijken. Ik kom net van een expositie. Dat is leuk al die mensen rond je werk. Het lijkt net of ze foto's kijken. Maar het is toch persoonlijker. Het is jouw hand die de lijn gemaakt heeft. Jouw lichaam heeft de reis vertaald op een stuk papier.’
De trein reed het station binnen en remde verder af. De moeder stond op en pakte haar koffer. Het jongetje stond ook op en keek voortdurend naar het grote vel papier op schoot van de reiziger.
‘Hier,’ zei deze onverwachts. ‘Dit mag jij hebben. Ten slotte is het ook jouw reis geweest.’
Hij gaf het jongetje het vel papier. Daarna werd het ventje haastig door z'n moeder naar de uitgang meegenomen. Toen ze op het perron stonden had de reiziger al weer een nieuw vel papier gepakt. Het jongetje zwaaide toen z'n moeder het niet zag. De reiziger zwaaide vriendelijk terug. Daarna had hij al zijn aandacht bij het vel papier. De trein vertrok en dat was ook het begin van een papieren reis.