De nacht kantelt

zij kende geen
zwavelstokken
wist wel alles van
regen en ijskoude wind
zocht en vond een
kleinigheid warmte
met een ander kind

verstopt achter
een modderig stuk
plastic als een klein
huisje voor twee
te koud om te slapen
maar voor even
niet helemaal alleen

er is geen stilte
in menselijk leed
waar niemand echt telt
je de ander in alle
drukte zomaar vergeet
en toch is er de lach
die liefde verwacht

er twinkelt steeds
een streepje licht
van een verre ster
die hoop sprankelt
in verraste ogen
waar geloof in morgen
de nacht kantelt