De koning is dood (1)

Toen de heerser van het Witte Land bekendmaakte, dat zijn oudste zoon op termijn de taak als koning zou gaan overnemen, werd dit het gesprek van de dag. Natuurlijk zou er een dag komen dat hij dit zou gaan overnemen. Het koninklijk echtpaar was van mening dat hij goed voorbereid moest zijn.
De Koning zelf was altijd goed geweest voor zijn volk. De Koning had in de loop der jaren veel goud, goederen en schatten meegenomen uit andere landen naar zijn kasteel en hij wilde altijd dat zijn volk deelde in deze rijkdommen.
Iedereen leefde naar grote tevredenheid. Er was zeer lang vrede geweest, en tot dusverre waren moeilijkheden uitgebleven. Vredig en kalm ging het er aan toe. De Koning zorgde voor een goede bescherming van de mensen die er woonden, alhoewel hij zich terdege realiseerde dat er altijd plotseling een ommekeer kon ontstaan door krachten uit andere delen.
De Koning had wel enkele eigenaardigheden maar niemand vond dat deze leidde tot gevaar voor het gebied. Hij maakte geen misbruik van zijn macht of van zijn goed getrainde leger.
Hij was nogal gesteld op zijn uiterlijk. Hij wilde er altijd goed gekleed uitzien, zoals een echte Koning betaamt. Als hij zich onder de mensen begaf, dan sloeg hij altijd zijn donkerrode koningskleed om en hij liet zich de met diamanten versierde kroon opzetten. Onder het donkerrode koningskleed droeg hij een groen vest met een donkerblauwe broek. Over het groene vest droeg hij een maliƫnkolder met gouden ringetjes. In zijn rechterhand hield hij een groot zwaard vast, en zijn linkerarm lag voortdurend voor op zijn borst, als teken van koninklijke eer. Hierdoor ontstond een edele verschijning waar iedereen respect voor had.
Het zwaard was van vroegere tijden, toen er nog geen koningen met zwaarden waren. Het zwaard werd Mesglitter genoemd omdat het zo scherp was dat het ging schitteren als er licht op viel: het licht kaatste alle kanten op en kreeg daardoor de vorm van een aureool. Dit was zo indrukwekkend dat de meeste mensen hier bang van werden.
Het koninklijk echtpaar had vier kinderen, twee zoons en twee dochters. De oudste was een zoon en de jongste zoon was net geboren. De Koning bemoeide zich vooral met de zoons en zijn vrouw met de dochters. De oudste zoon was veruit hun favoriet. Toen de Koning inzag dat hij binnenkort de kroon zou moeten overdragen, en de oudste zoon zijn belangrijkste erfgenaam was, sprak hij steeds vaker met zijn zoon.
De Koning vond dat hij met hem mee moest gaan naar belangrijke besprekingen met allerlei adviseurs. Hij moest een degelijke opleiding genieten, niet alleen van die zaken die belangrijk zijn als aankomend koning maar ook van zaken die daar ver van staan, zoals volkenkunde, strijdkunde, taalkunde, stoffenkunde en sterrenkunde. De zoon was nog jong, volgens sommigen was hij nog nauwelijks in staat om Mesglitter volledig in de lucht te tillen. Hij speelde nog het liefst met andere jongens, zonder zich te bekommeren om zulke grote zaken als koningschap. De jongste zoon, nog echt een baby, was zeker niet in staat om Mesglitter te tillen.

De kabouter woonde in de buurt van de overblijfselen van een grafheuvel. Hij was bang dat nieuwkomers zijn gebied met geweld zouden veroveren, daarom woonde hij diep in het woud. De plaggenhut was nagenoeg niet te zien vanaf de rand van het woud. Een ring van bomen en takken maakten de hut onzichtbaar.
De kabouter woonde in een kleine leefgemeenschap, slechts met enkele andere leden van het Kleine Volk.
Hij was klein van stuk, zelfs voor een kabouter. Hij had boven zijn gerimpelde gezicht een petje tegen de zon, een grijswitte baard, zware wenkbrauwen en indringende ogen. Verder droeg hij een katoenen grijs jasje, en een wijde zwarte broek. Over het jasje hing een ketting, van de bovenste knoop naar een jaszakje. Hij liep op houten schoenen, bedoelt om droge en warme voeten te houden.
Hij had vaak een tekort aan goed voedsel. Het bos leverde wel wat vruchten en noten, maar hij was al oud en en zijn botten waren stram. Ook het jagen viel hem de laatste tijd steeds zwaarder. Het werken voor de landbouwers leverde ook niet altijd genoeg op.
Hij woonde in een kleine verblijfplaats, in een plaggenhut, half onder de grond. De hut was bedekt met takken en strobalen.
De kabouter, de Dwerg zoals hij genoemd werd, was met een schepersschopje een gat aan het graven om daar het laatste voedsel in te bewaren: een homp brood, een stuk vlees en wat fruit.

(update van "De schaduw van de toekomst")
Zie ook [http://www.frommels.nl]