De kleine prins achter glas (deel 2)

Ze reden over het grote landgoed op weg naar de hoofdingang. De vier identieke limousines reden keurig achter elkaar. Dit keer zaten de jonge prins en het kindermeisje in de derde auto van de vier.
Toen ze van het landgoed reden, hadden zich grote groepen mensen verzameld. Ze wilden een glimp opvangen van de prins.
"Kleine prins, gelukkig weten ze niet in welke auto we zitten." zei het kindermeisje.
Het kindermeisje noemde altijd de kleine prins. Ze had ooit eens een boek gelezen over een kleine prins. Het verhaal vond ze zo mooi dat ze hem sindsdien de kleine prins noemde.
"Maar Priscilla, waarom mogen ze niet weten in welke auto we zitten?" vroeg de jongen. Hij had het eigenlijk nooit goed begrepen, waarom die vier identieke auto's achter elkaar reden.
"Dat is voor jouw veiligheid. Later als je groot bent, dan zul je dat begrijpen." zei het kindermeisje.
De jonge prins nam aan dat dat werkelijk zo zou zijn.
De limousines reden naar de grote winkelstraat in de stad. Onderweg had politie belangrijke wegen afgesloten om de stoet doorgang te verlenen. Overal stonden groepjes mensen achter dranghekken te kijken, ze wisten dat de jonge prins voorbij kwam.
De auto's kwamen in de grote winkelstraat aan. Ook hier had de politie de weg afgezet, zodat zij hier rustig doorheen konden rijden. De mensen konden niet zien wie er in de auto's zaten, de auto's waren geblindeerd.
"Zijn we er al?" vroeg de jongen.
"Ja, kijk maar. Moet je zien, daar, een speelgoedzaak." zei het kindermeisje.
De prins zat met zijn neus tegen het raam gedrukt en tuurde naar buiten, naar al die winkels. Overal stonden groepen mensen te kijken, en toen de auto's door de straat reed, werd het aantal toeschouwers steeds groter.
"Mag ik even naar die winkel? Even kijken wat ze allemaal hebben?" vroeg de prins.
"Nee, dat mag ik niet toestaan. Dan zul je aangevallen worden door hordes mensen." antwoordde het kindermeisje.
"Kijk daar. Een ijswinkel. Moet je zien, daar. Een broodjeswinkel." zei de jongen.
Hij werd steeds enthousiaster door wat hij allemaal zag. Hij kon zijn ogen niet geloven.
"Maar mag ik dan ook niets hebben van al dat lekkers?" vroeg de prins.
"Jawel," zei het kindermeisje. "Zeg maar wat je wilt, dan zullen we het voor je kopen."
De jonge prins begon steeds meer dingen te vragen. Alles werd genoteerd. Hij keek zijn ogen uit. De prins hield maar niet op, hij schoof van de ene naar de andere kant van de autobank.
"Moet je zien, daar. Kijk daar. Moet je dat zien, mooi he?" Hij vroeg bevestiging van het kindermeisje.
De stoet reed langzaam de winkelstraat door verder.
Langs de dranghekken stond een meisje te kijken naar de immens lange zwarte limousines. Ze wist dat de prins in een van deze auto zat. Maar ze wist ook dat ze de prins toch niet kon zien. Toen de derde auto voorbij reed, dacht ze dat ze een jongensgezicht kon zien. De neus zat tegen het autoraam geplakt. Het leek alsof het gezicht een trieste uitdrukking had. Het meisje wist echter niet waarom.

(wordt vervolgd)