De kleine prins achter glas (deel 1)

"Goede morgen, kleine prins", fluisterde het kindermeisje, terwijl de jongen nog in bed lag te slapen.
Hij zag er zo teder uit, met zijn fijne gezicht op het kussen. Ze smolt bij dit waardevolle moment.
Het kindermeisje liep naar de gordijnen en schoof deze open. De stralen van het ochtendlicht vielen op de zwarte haren van de prins.
Hij schoof wat overeind en keek de slaapkamer in. Toen hij zich bewust werd van haar aanwezigheid, verscheen een kinderlijke glimlach op zijn mond. Dit was voor hem vertrouwd.
"Het ontbijt staat hier klaar", zei het kindermeisje. Ze wees naar een tafel in de slaapkamer.
"Vandaag gaan we winkels kijken. Als je gegeten hebt, kleed je dan aan en dan kunnen we gaan". Ze liep de slaapkamer uit en deed de deur zacht achter zich dicht.
De jonge prins had hier altijd al van gedroomd, een keer winkelen in de stad. Zo maar, lopen door de winkelstraat en een winkel binnen gaan. Dat had hij nog nooit meegemaakt. Spulletjes bekijken, een knuffel oppakken, een boek doorbladeren, een cd beluisteren. Hij droomde er vaak van.
Hij wist ook wel dat hij dit eigenlijk niet zomaar kon. Dan zouden horde mensen over hem heen vallen. Zo populair was hij in de wereld, hij kon zich eigenlijk nergens zomaar vertonen.
Hij stapte uit bed en schoof aan de ontbijttafel. De prins at het warme kadetje met chocoladehagelslag met fantasiefiguurtjes.
Na het ontbijt deed hij zijn lichtgroene pyjama uit, vouwde deze netjes op en legde deze onder het slaapkussen. Hij trok een glitterend uniform aan, zette een herenhoed op, deed zijn witte handschoenen aan en zette een zonnebril op. De prins mocht niet herkend worden.
Hij pakte de intercomtelefoon en zei: "Ik ben klaar. Ik wil gaan."
Het kindermeisje kwam de slaapkamer binnen en zei uitnodigend: "Kom, laten we dan gaan."
Zij liep voorop en hij er achteraan, als zwaan kleef aan.
"Even wachten." zei ze, wachtend voor de grote gesloten voordeur van het riante herenhuis.
Vier bewakers liepen naar buiten om te zien of alles daar veilig was.
Deze bewakers van de jonge prins waren er altijd, althans als hij naar buiten het herenhuis ging.
Een van de bewakers kwam weer naar binnen. "Alles veilig. Kom, snel.", instrueerde hij met strenge toon.
Het kindermeisje en de prins snelden langs de bewakers de deur uit en schoven in een grote zwarte limousine. Het was de derde limousine in een rij van vier. De limousines zagen er alle vier identiek uit. Hierdoor zou niemand weten in welke auto hij zou zitten.

(wordt vervolgd)