De kleine mens (1)

De kleine mens1 is ontstaan uit de moeder2 en de vader3. Eerst verbonden met de moeder en bij geboorte4 wordt het ontvangen door de wereld. In het begin is het alleen zintuiglijk gericht, alleen via de zintuigen wordt de wereld waargenomen. Eerst middels de primaire zintuigen5 wordt contact gemaakt met de objecten buiten. Het subject zintuigt de objecten buiten zich, maar nog niet als buiten zich. Maar dit gebeurt altijd in relatie tot de andere mens, die in eerste instantie ook een object is.
Het is al een relationeel6 wezen maar dan alleen nog tot objecten buiten zich.
De kleine mens ontdekt verschillen tussen de ander en zich, en noemt zich dan bij de eigennaam. In deze reflectie7 en in de relatie met de ander, ontdekt het zichzelf, het eigen “Ik” 8. Ikzelf wordt zich bewust van de ander, en het eigen wordt zich door reflectie tegelijkertijd bewust9 van zichzelf. Het bewustzijn heeft zich ontwikkelt tot een zelfbewustzijn, in de meest eenvoudige vorm. Het zelfbewustzijn is zichzelf nu alleen bewust dat het subject nu ook object is geworden.


1= verder wordt gesproken over "het", de kleine mens; 'mens'is afgeleid van man; soms ook ‘stamvader’; de mens is letterlijk ‘de aardse, in tegenstelling tot de hemelse machten; hier wordt natuurlijk ‘mensbaby’ bedoeld; deze mensbaby heeft nog geen enkele verbinding met de hemelse machten, goden
2= moeder is mij-hoed-er, ook mamma = zoogster
3= vader is oorspronkelijk geen biologisch begrip, maar een rechtsbegrip: hoofd van de familie
4= geboorte, geboren komt van baren = ‘dragen, voortbrengen’
5= zintuig = onder invloed van de ‘zin’ door een ‘tuig’; primaire zintuigen zijn zien (oog), horen (oor), reuk (neus) en smaal (mond). Secondair is tast (huid, handen, vingers).
‘tuig’ komt van ‘ghetuuch’, stuk goed van een uitrusting, werktuig, gerei;
zin(en) = van 'sin' (weg, gang, reis); zijn gedachten in een richting doen nemen naar, gedachten richten op, waarnemen
6= relationeel = in de verhouding van kind tot ouders staande, hier gaat het om de relatie subject-object; andersom: streling en aanraking van vader en/of moeder is essentieel voor de groei; als dit niet gebeurt, en alleen gevoed wordt, dan volgt uiteindelijk de dood er op
7= reflectie; flecteren = verbuigen; reflecteren = weerkaatsen, weerspiegelen, op het denken
8= Ik =zelfstandige persoonlijkheid, eerste persoon enkelvoud: “ik ben het”; meestal bij een kind van ongeveer 3 a 4 jaar: het kind wijst zichzelf letterlijk aan en noemt zichzelf “ik” (als onderscheidend van anderen, jij, vader, moeder)
9 = bewust = dat zelf onder invloed is van;
'geweten' heeft een aanklagende functie, germaanse talen kenden dit begrip niet, komt uit latijn 'conscius' = medeplichtig aan, bewust van
'conscientia' latijn betekent letterlijk mee-weten of ge-weten(con-scientia). Het geweten is het bewustzijn van goed en kwaad. Dat is typisch iets wat de mens van de dieren onderscheidt.