De kleine dondersteen

hij lacht
naar de wereld
trekt zijn eigen plan

het jeugdig
onbevangen is niet lang
aan hem blijven hangen

hij kent blikken
gebaren en gezichten
als een open boek

gevatheid en sturen
zijn voor hem een
voortborduren op zijn idee

iedereen gaat
gemakkelijk en in
vol vertrouwen mee

toch komt de
dubbele bodem
steeds meer in zicht

voelen ze dat zij
in gemakzucht voor
manipulaties zijn gezwicht

onschuldig lijkt
zijn lach maar de kleine
dondersteen is amper acht