De jongeling (2)

Het was vroeg in de avond. Het avondrood stond aan de horizon. Een grote rood-gele bol schoof heel rustig naar beneden, om te verdwijnen achter de bomen. Het licht had een speciale, donkerpaarse kleur. De zonsondergang was anders dan normaal. Rustig, zelfs zacht en vriendelijk. De wolken waren donkerblauw, met een donkerpaarse gloed. Het zag er vredig uit.
De twee zaten dicht bij elkaar. Ze zaten boven op een heuvel en keken naar de afdalende glooiing naar beneden. Ze hadden met gesprokkelde takken een kampvuur gemaakt op een open plek. De Kabouter en de jongeling zaten beiden op een afgebroken boomstam en ze porden wat in het vuur. Ze hadden net gegeten en waren enigszins verzadigd.
"U kende mijn vader, he?", vroeg de jongeling.
"Ja", zei de Kabouter kortaf.
"U kende ook mijn moeder, he?", ging Tolecnal verder.
"Correct", zei Toon, weer wat kortaf.
"Waarom moest mij dit overkomen?" Tolecnal keek enigszins bedroefd.
"Niet alles is volledig te controleren." Hij maakte een wuivend gebaar met zijn hand om aan te duiden dat sommige dingen komen en met even groot gemak weer gaan.
"Leeft hij nog?", vroeg de jongen.
"Het hangt ervan af wat je levend verstaat. Hij is wel dood maar hij leeft nog wel voort in de harten van veel mensen. Voor mij leeft hij nog voort. Hij was mijn broer." Dat laatste zei Toon met zeer veel nadruk.
De jongeling schrok enorm en hij deinsde terug. Hij herkende iets wat een verbinding leek te maken met dingen van vroeger. Hij wilde de Kabouter dat aangeven maar hij durfde dat niet. Gevoelens van vroeger werden steeds sterker en sterker. Situaties van vroeger beleefde hij steeds meer, onbewust. Hij is zijn broer!
Toon sprak de volgende versregels om de jongeling duidelijk te maken hoe bijzonder zijn vader was geweest en om hem opgewekter te stemmen:

Hij was een man uit een geslacht van helden,
Een edel gezelschap, met vergulde helmen en grote gulheid.
Een rijke en eerbare havik,
Een machtig man, rechtop op zijn paard,
Die snel en doortastend in de strijd toeslaat.
Een wijze valk met uitgesponnen argumenten,
Een hert dat niet sterft …

"Het hert is wel gestorven", schreeuwde Tolecnal hem toe. "En dat ging nog makkelijk ook. Edel gezelschap, pfff. Het paard gleed uit en de valk liet zich gemakkelijk uit de lucht schieten."
De jonge knaap stond op en schopte kwaad tegen de grond. Zand vloog omhoog en veroorzaakte een soort mist van stof. Tolecnal sprak verder: "Allemaal pracht en praal, waar niets van waar is. Alles is over. Mijn vader is dood! Wat moet ik zonder hem beginnen?"
De Kabouter hield zich wijs stil want hier was niet veel tegen in te brengen. De jongeling moest dit zelf doormaken en verwerken. De Koning was wel degelijk een groot, edel gezelschap geweest, maar de aanval op zijn broer kwam uit totaal onverwachte hoek. Hier kon zelfs een strijdvaardige en doortastende havik niet veel tegen beginnen. Toon nam zich voor om hier later op terug te komen.
Ze gingen samen de heuvel af en liepen terug naar hun lemen hut. Ze moesten deze nacht hard werken, daarom liepen ze stevig door. De Kabouter legde zijn arm om de schouder van de jongeling, bijna met vaderlijke warmte.

(wordt vervolgd)

Zie ook [http://www.frommels.nl]