De jongeling (1)

(deel van de Schaduw van de toekomst)

De Kabouter voedde de jongeling op, maar zo goed mogelijk verborgen in de bossen. Toon d’n Dwerg had niemand laten weten dat hij voor het kind zorgde, alleen zijn goede vriend Thei was ervan op de hoogte.
De Kabouter zat op een stronk hout, met wat brood in zijn hand. Hij was blij met dit moment met de jongeling, ook al speelde het zich af tegen de trieste achtergrond van het feit dat de Koning dood was. Tolecnal rende door de velden en verstopte zich achter de bomen, die torenhoog waren. Vanaf hier leek de knaap zelf wel een kabouter. Bij die gedachte moest de dwerg gniffelen. De jongeling genoot zo onbezonnen van de omgeving. Hij mocht zomaar overal lopen en spelen. Toon bedacht toen het volgende vers.

Je wandelt vaak langs de bosrand en de oever van de rivier,
Door het verse gras en de zware dauw,
Langs de bossen, te midden van de bergen,
Zorgeloos, onbezwaard, 's ochtends als het licht wordt.
Mijn hart wordt licht bij het zien van dit tafereel,
De velden, het landschap, de bossen, en de horizon.
Genoeglijk mooi is de ligging van de bergen.

Jij bent nog groen en zorgeloos, over de vrolijke velden
Je zingt omdat je thuis bent.
In de zon die maar een keer jong is,
Tijd om te spelen en verguld zijn.
Groen en verguld ben jij jager en herder,
De schapen zingen bij jouw hoorn,
De honden op de heuvels blaffen helder en koud.

Nog geef ik niet toe, blind als ik ben,
Ondertussen groeien honderd sterke jongelingen op,
Bekend met rumoer, haat en twist,
Zij vallen sneller aan dan bliksemschichten,
Jouw hoorn zullen ze niet volgen,
Jouw gril zullen ze niet gehoorzamen,
Wees dus voorbereid, ook als ik er niet meer ben.

(wordt vervolgd)

Zie ook [http://www.frommels.nl]