De jonge mens (2)

(is vervolg op De kleine mens(1))

Het bewustzijn heeft zich ontwikkelt tot een zelfbewustzijn, in de meest eenvoudige vorm. Het zelfbewustzijn is zichzelf nu alleen bewust dat het subject nu ook object is geworden.
Het zelfbewustzijn ontwikkelt het denken1 verder, alleen gericht op de objecten buiten zichzelf en op zichzelf als object. Door de ontwikkeling van het kleine mens tot de jonge mens, vormt zich in het denken2 abstractie3.
De jonge mens verbeeldt abstracties van de wereld, zo ontstaan er vormen4, typen5, soorten6, eigenschappen van objecten. Hij7 denkt zichzelf los van zichzelf, abstraheert zichzelf, los van zichzelf in de wereld. Hij heeft een beeld8 van zichzelf, naast het beeld in de wereld. En hierdoor ontdekt hij dat andere zelfbewustzijnen9 ook abstracties zijn van de objecten10 zelf, en ziet eigenschappen11 van anderen die hijzelf ook heeft, en ziet verschillen12.


1. denken = komt van 'denk-an' (denk aan), gedachte aan, zijn gewaarwordingen ordenen; het jonge kind heeft nog geen abstractie genoeg om te denken over het denken, oordelen vormen
2. denken door abstractie: veel later door los te komen van het object: oordelen vormen, zich een mening vormen; rond de leeftijd van 12 a 13 jaar ontstaat de abstractie, daarom heeft het geen zin om abstracte wiskunde op de basisschool te leren
3. abstractie = komt van het Latijnse woord ‘abstráhere’, weglaten; zeer concrete betekenissen vervluchtigen tot vage abstracte begrippen, verbaal begrip bijna los van de concrete betekenis, los van de werkelijkheid; zo betekent bijv. 'hemel' dan niet meer concreet 'het dak van de wereld' maar meer abstract 'het bedekkende'
4. vormen = vorm is de uiterlijke gedaante; de jonge mens leert bijv. in de wiskunde is een object met bepaalde kenmerken een vierkant of een cirkel; dit worden ideaaltypische vormen, die in de werkelijkheid niet bestaan;
5. typen = model, voorbeeld
6. soorten = objecten en subjecten die een gemeenschappelijk karakter hebben; bijv. een vierkant is een eigenlijk een rechthoek met gelijke zijden (soort is rechthoek); de soortnaam duidt vaak een bijkomende eigenschap aan zoals geneeskrachtig, eetbaar, kleur, geur en smaak. soms wordt er ook verwezen naar de herkomst.
7. hij = met 'hij' wordt hier de jonge mens bedoelt; de periode na de kleine mens
8. beeld = ontstaan uit germaanse stam 'bil', bovennatuurlijke kracht, wonderkracht; later 'wonderteken', 'teken', beeld, afbeelding
9. zelfbewustzijnen = meerdere zelfbewustzijn
10. objecten = hier worden de zelfbewustzijnen als object bedoeld, buiten de jonge mens
11. eigenschap = waarneembaar verschijnsel van een wezen, hoedanigheid, kenmerk
12. verschillen = zich onderscheiden van, anders zijn, afwijken; hier ligt de start van discriminatie, onderscheiden van elkaar; ver-schillen: 'schil' is buitenste bekleding van object; schillen = van schil ontdoen, van buitenste bekleding ontdoen