De bus

‘Is deze plaats vrij, mevrouw?’
Ik kon het niet ontkennen. Steunend liet de man zich neer op de stoel aan de andere zijde van mijn tafeltje. Hij stak de vinger op naar de ober.
‘Een sterke, Johan.’
‘Komt er aan, meneer.’
Een stamgast dus. Hij nipte van de onmiddellijk bezorgde oude klare, een opvallend verschil met het tempo waarmee mijn bestelling was bezorgd. De man zag het.
‘Ach, weet u wat het is, mevrouw. Op mijn leeftijd heeft men een zekere voorkeursbehandeling.’
Hij nipte weer. ‘Maar ik zou liever langer wachten, en dan op wat jongere leeftijd.’
Hij staarde naar het plein. ‘Ik moet u ook afraden op leeftijd te geraken. Men mist vrijwel niets bij voortgang, zo kan ik u verzekeren.’
Ik knikte afwachtend.
‘Ik weet natuurlijk niet hoe dat bij een vrouw is, maar ik heb veel tijd verspild aan de jacht.’
Ik keek vragend.
‘Ik bedoel werving, mevrouw, niet het doden van onschuldige dieren.’ Hij bezag mij wat nauwkeuriger. ‘Ik denk dat om u ook veel geworven is.’
Hiermee was ik onmiddellijk geplaatst in het kamp van de aflopende krachten. Ik moest dat corrigeren.
‘Nog, meneer, nog steeds lig ik willig in de markt.’
Hij knikte bevestigend. ‘Maar het begint toch zijn initiële frisheid te verliezen.’
Ik kon het weer niet ontkennen. Ik vroeg, om het gesprek niet te laten verzanden, of hij getrouwd was.
‘Ik? Gehuwd? En hoe, mevrouw.’ Hij nipte. ‘Maar mijn vrouw zit in de WW.’
Ik begreep het. ‘De Weight Watchers.’
Hij knikte waarderend. ‘Geheel juist, mevrouw. En daar zitten allemaal van die post-moderne vrouwen. Een broeinest van vernieuwing en opruiing.’
Hij zweeg, terwijl Johan zonder daarom gevraagd te zijn, een verversing voor hem op het tafeltje plaatste.
’Hebt u kinderen, meneer?’, vroeg ik.
‘Ja, een dochter.’
‘Dat is toch leuk voor een vader?’
‘Ja, toen ze jong was wel. De eendjes in het parrekie, u kent dat wel. Maar bij het naderen der puberteit nam haar moeder de leiding over.’
Hij nam de eerste slok van de nieuwe consumptie. ‘Toen ontstond een onneembaar bolwerk van minachting en afkeuring.’
Hij dronk het glaasje leeg en stak de vinger op. ‘Johan, ik ga maar weer eens. Wat is de schade?’
‘Goed, meneer. Dat is dan eenvijfendertig.’
De man telde nauwgezet de gevraagde munten uit. Dan stond hij moeizaam op. Hij boog hoofs naar me.
‘Het wordt mijn tijd. Goedemiddag, mevrouw.’
Hij liep traag naar de drukke verkeersweg, bleef enige tijd staan kijken en wierp zich dan voor de bus van lijn 21.

Johan keek hoofdschuddend naar het tumult. ‘Ik heb het zien aankomen.’
Ik pakte mijn beursje. Ik had hier niets meer te zoeken.
Johan hief afwerend de hand. ‘Nee, mevrouw, deze is van het huis. Namens meneer.’

hendrik-a