Dat sierlijk rankt

ik ken
het breekpunt
van glas dat
sierlijk rankt
op slanke voet

maar meer nog
de verleiding
van warme schijn
het vloeibare geluk
maakt alles stuk

want verlangen
heeft een dorst
die nooit te lessen is
ook als het ach en wee
al moeizaam wordt geslist

aangeschoten zijn
herbergt groot venijn
juist op de roze wolk
knapt het glas dat nooit
toekomst heeft gehad