D of DT werkwoorden

Grammatica Nederlands, werkwoord met een d of dt?

De grammatica voor d en dt en niet zo moeilijk. Bij een werkwoord gaat het als volgt.

Je neemt de stam van een werkwoord. Bijvoorbeeld het werkwoord horen.

De stam van het werkwoord horen is hoor.

Ik hoor
Jij hoort (stam + t)
Hij hoort. (stam + t)
Zij hoort. (stam + t)

Dit is logisch en duidelijk. Waarom is het woordje ‘wordt’ dan met dt? Het woordje word is alleen maar met dt op het eind als er jij, hij, zij of het voorstaat.

Ik word
Jij wordt (stam + t)
Hij wordt (stam + t)
Zij wordt (stam + t)

Zo gaat het met elk werkwoord. Staat er aan het eind van de stam al een d, zoals bij het woordje ‘word’ dan komt er gewoon een t achter, behalve als je er ‘ik’ voor zet.

Tip: Je kunt het horen aan het werkwoord horen. Ik hoor, jij hoort. Dat geldt voor alle werkwoorden.