Carcinoom

Zacht glooiende droom
Papieren vlinder van je hand opent
Gedachte na gedachte
We fluisteren over lampionnen
Japanse raadsels en gebeente
In een stad van verkoolt gesteente
Wacht de afdruk van je tenger wezen

Je rug, een uit hout gesneden
Fluit met knokkels en pezen
Je lichaam laat zich vergelijken
Met een wintertak waarvan het ijs
Is uitgevlogen. Stukjes blauwe
Scherfjes uit je ogen, zeggen:
Ik zie, ik zie wat jij niet ziet
Wat zie je dan? Wat?

Een gouden nerf, een stukje tijd?
Gebroken op een kamer, huil je zo luid
Dat het toch nog communiceren wordt
Terwijl wij beneden fluisteren
We weten niet wat te verzinnen
We zwaaien je uit
We falen in ons bezoek aan jou
Zo jong en dan al zo dood

Tot ziens zeg je snel, en zo bleek
Zonder bloed in je wangen. Misschien
Om het afscheid draaglijk te maken
Van het leven is verder niets te vragen