Buitenvrouw en binnenkat

Je zwikt
en zwabbert
over gabbers van je
buitenvrouw
de hete vleesberg
van het dorp
je bent zo lichtgewicht
en zwadderaar
zo vond
je adem levend, wegend
zuiver goud gesponnen dier
en beenderen van witte vleestand
hier, kom hier

zo klein je was een foto
geel met vlekken
dat was jij
nu volop vrouw een zoete vrucht
die ik met anderen deel
men ziet je kat achter het raam
het spint en fladdert in de waan
dat elke man naar binnen mag
een blauw nacht
vol bleke sterren
en god zal jou geen weg versperren
geen steen, geen as, geen woord

het leven spoed zich vrij
voor bij het raam, verplicht er
zich gelach, en rinkelende glazen
ons uurtje samen is alweer
voorbij en ik
ben weer drie geeltjes lichter