bal macabre met koud buffet

Homage aan Marten Toonder

Blanketsel op het maangezicht, de hemel zwart
als sleets begrafenisfluweel, een jakkerwind
doorsnijdt het schraal en bladerloos struweel, verkilt
in dier en dolend mens het warmgeborgen hart

De stramme rotten, ooit beweend, gekleed
in rag en 's gravens gat, luisterend naar
de vleermuisruis, het knagen van de rat, doch wat
hij vreet is slechts op post-mortaliteit beleend

Een kerkklok tingelt ijl, 't middernacht'lijk uur
ontkluistert weggeborgen waan, ontzegelt
't web van de verstilde spin, de aarde klopt
en bonst als koudvuur

Bleke gebroken vingers botten uit
als kelken ontvouwen ribben zich, een schedel
grijnst naar het maanlicht, modder druipt
nageboort'lijk van kaak, gewrichtskom, stuit

De schaduwen van schuif'lend volk wist de namen
op de zerken, een enkel droog boeket verslijmt
onder de tred van een jonkvrouwe, een spoor
van maden laat zij na, als verloren kralen

Haar rest één zilvergrijze vlecht, ze lonkt
naar een soldaat in beflard uniform, met een houterig
gebaar beroert hij een lokje worm en neemt haar
bij de bekralde hand, het knettert, vonkt

Zij openen het Bal Du Mort, hun glimlach stijf bevroren
en dansen op de klanken die zij niet kunnen verketteren
zij horen polka's en la bamba's in het knerpen en het kletteren
de onrechtmatig herborenen laten zich bekoren

Het middernachtelijk' uur voorbij
minnekozen ze op stenen die niet bewarmen
paren in elkanders armen, opgejaagd door het
knarsend keren van het liefdestij

Geklingel uit het dal, drie maal, 't is tijd
voor versterking van 't inwendige lijk- Dode
vrienden herrijst van de stukgedanste zoden, laat
ons hekken bewegen tot openheid!

Door grondnevelslierten, langs wegwiekende uilen
vordert de processie als een trekkende blaar vol
blauwlichtend pus, marcherend op het ritme van
rammelende tanden in uitgedroogde muilen

En zij die slapen horen niet ‘t geknars van kinnebakken,
zien niet de holle kassen in eendracht gericht, gedreven
door een reeds lang vergeten necromante plicht, het kerkhof
wanen de warmbloedigen de plaats van loze, broze wrakken

Het dorp, hurkend onder strooien kappen
vloeit vol zwavelgeur en fosforgloed,
en tere levensdraden knappen,
spatten bloed

tegen de maan
maar zij zinkt weg, onaangedaan,
het zijn niet haar
tot vlees gekomen dromen

©2005dedeurs