Bij ons, gedicht

Haar handjes waren twee roze zeesterren
Die van ons wegkropen over het zand
Van haar wangen. Als ze lachte dan wist je
Niet of iets haar toen al bezig hield

Een mondje te klein om te geloven
Dat dit werkelijk een mondje was, zo vol
Schoonheid en tegelijkertijd
Een bloem waarin slechts een rood blad

Dat open ging. De oogjes van een oud
Soort blauw waarin nog geen geheugen was te meten
En de voetjes die we proefden

Om vast te houden en te weten
Wat zo langzaam leefde. Zo dat het
Een compleet verblijven was wat daar versleten

Zolang wij haar bewonderen
Jaar in jaar uit en elke dag
Dat wij haar niet vergeten kunnen