Amelia Van Sand

Net voor de winter werd ik aangenomen voor een splinternieuwe job Ik was overgelukkig want ik had mij twee jaar lang omgeschoold om zover te kunnen komen. Oorspronkelijk was ik afgestudeerd in 2001 als verpleegkunde. 6 jaar lang heb ik mijn job met hart en ziel uitgevoerd. Tot ik het plots niet meer kon….

Ik kon het leed niet meer aanzien en nam de wijze beslissing mij om te scholen tot algemeen bediende en met succes.

Nu zijn we ondertussen twee jaar verder, ik ben voor de tweede maal in mijn leven afgestudeerd én aangenomen. De firma ‘DuCoq’,werd mijn nieuw werkterrein. De eerste dagen waren als een droom. Mooie uren, één uur pauze over de middag, gedaan met werken om zestien uur. Wat een gigantisch verschil met het onvaste schema dat ik kreeg in het ziekenhuis. Over de middag had je daar welgeteld twintig minuten om je eten naar binnen te werken en dan met een beroerd gevoel in de maag weer verder te gaan.

Mijn nieuwe baas had mij rondgeleid in het gebouw. Het was een oud Victoriaans pand, dat ze volledig lieten restaureren. Neen, ze hadden er geen supermodern iets van gemaakt, ze hadden zijn oorspronkelijkheid behouden. En dat alleen al was uiterst charmant en gezellig om in te werken. Ik kreeg een kraaknet bureau met een hoog plafond, die op haar beurt een soort barok gehalte had. Nu ik was uitermate tevreden, zowel mijn collega’s als het werk vielen goed mee. Mijn taak was de begraafplaatsen te onderhouden. Ik bedoel daarmee het totaalpakket. Gaande van het nagaan of de zerken goed zijn onderhouden tot de aanleg van de nodige bloemen in en rond het kerkhof. Een aardje naar mijn vaartje als je het mij vraagt, ik had een zwak voor pittoreske begraafplaatsen en ‘D’Heie’ was een pracht.

D’Heie lag heuvelachtig mooi, en er was een oud en nieuw gedeelte. Omringd met hoge bomen, een groot ijzeren hekken sierde de ingang. Het oud gedeelte bestond uit bovengrondse kelders en enkele mausoleums. Het nieuwe gedeelte had een columbariummuur en urnenkelders, maar ook de klassieke graven, je weet wel, die met een gewone zerk boven de grond. Hoe dan ook, beide gedeelten waren erg goed onderhouden. Er was daar steevast één opzichter. Een vriendelijke vijftiger die bij onze eerste ontmoeting grapte dat hij een belangrijk man was, vermits hij werkte met meer dan vijfhonderd mensen onder zich. Zijn werk was onregelmatigheden door geven aan mij, zodat ik deze kon oplossen.

Op een avond werkte ik iets langer, ik liep enkele dossiers door van oude graven die moesten verwijderd worden. De graven waren onherstelbaar en de nabestaanden van de overledenen waren zelf al overleden. Ik stopte even met werken en nam een kleine pauze. Ik liep door de gang richting toiletten. De toiletruimte bestond uit 3 kleine toilethokjes en een 2 lavabo’s. alles was proper onderhouden, maar de ruimte zelf was erg klein en benauwd. Toen ik een hokje binnenging hoorde ik een geluid. Ik hield mijn adem in en luisterde gespannen. Toen hoorde ik het opnieuw,een zacht geluid alsof iemand aan het huilen was. Voorzichtig opende ik de deur van het toilethokje en keek naar de 2 andere deuren, ze stonden beiden op een kier en er brandde geen licht.
‘hallo is daar iemand?’, vroeg ik nogal onzeker. Het jammeren hield op en mijn hart klopte in mijn keel. De stilte die na mijn vraag viel was beklemmend. Ik verwachtte dat elk moment wel iemand uit de niet gesloten hokjes zou stappen en lachen. Ze zouden dan wel een reden gehad hebben om in een niet gesloten toilethokje te zitten, claustrofobie of zo. Maar er kwam geen antwoord.

Ik stapte richting lavabo en waste mijn handen. Via de spiegel hield ik nauwlettend beide toiletdeuren in het oog. En toen gebeurde het. Het middelste deurtje ging langzaam en met een krakend geluid open. Mijn hart bonsde in mijn keel en met wijd gesperde ogen bekeek ik het gebeuren. Ik draaide me razendsnel om. ‘Wie is daar?’. Niets, nog steeds geen geluid, geen antwoord. Ik verwachte nu dat wel iemand hard zou beginnen lachen om me vervolgens op de schouder te kloppen en te zeggen ‘Nu heb ik je goed liggen he?’. We zouden er later allebei hartelijke om lachen, later nu niet onmiddellijk, neen want nu heb ik teveel schrik. Maar niets kwam, geen gelach, geen geluid.

Ik stapte richting middelste deurtje en opende het voorzichtig. In het hoekje naarst het toilet zat een kindje in het duister te huilen. Ik schrok even van het beeld dat ik zag. Het kind had was blootsvoets en had een vuile witte jurk aan. Haar lange haren waren pikzwart. Ze zat neer en hield haar gezicht tussen de knieën. Nu hoorde ik haar duidelijk huilen. ‘Wie ben je?’, vroeg ik haar bezorgd. Het huilen hield abrupt op. Langzaam hief ze het hoofd op en keek me aan. ‘Amelia’, snikte ze. Haar ogen waren precies zwarte kooltjes. Ik werd angstig en zette een stap achteruit. Toen sprong ze recht, haar bewegingen waren zo onnatuurlijk, alsof ze een levende marionet was. Nu stond ze recht in het half duister en kon in haar gezicht niet meer zien. Enkel haar lange haren die sierlijk over haar jurk hingen waren zichtbaar.

‘Kan ik je helpen?’. ‘Wat doe je hier?’. ‘jij mag mij niet pijnigen’, antwoordde een hoge kinderstem. ‘Wat?’,vroeg ik terwijl ik een nog een stap achteruit ging. ‘JIJ MAG MIJ NIET PIJNIGEN’, riep het kind met ijle stem en ze liep met uitgestrekte armen op mij af. Ik kreeg een duw en viel met mijn hoofd tegen de lavabo. Toen werd alles donker.

Ik ontwaakte met barstende hoofdpijn. Ik stond recht, keek niet meer naar de toiletdeuren en liep naar de gang. Nam de autosleutels van mijn bureau en reed naar huis. Terwijl ik in de wagen zat dacht ik dat ik alles had gedroomd. Het waren 2 zware jaren geweest en misschien had ik van mijn lichaam iets teveel gevraagd. Ik kwam thuis, nam een douche en ging naar bed. Ik viel ogenblikkelijk in een droomloze slaap.

De volgende ochtend had ik een afspraak met de opzichter. De man had aangeduid welke graven verwijderd moesten worden. Half versuft van hetgeen de avond ervoor was gebeurd liep ik met hem mee. Ik wreef met mijn hand over de pijnlijke buil dat ik opliep bij het vallen. ‘Deze moet ook weg’, zei de opzichter terwijl hij naar een oud mausoleum wees. Ik stapte voorzichtig binnen en bekeek het gebouwtje grondig. Het was een familiegraf.
Vier mensen lagen erin begraven, de ouders en hun twee kinderen, een jongen een meisje. De opzichter was naast mij komen staan en ik schrok even. ‘hier schuilt een droevig verhaal achter mijn kind’, vertelde hij met schorre stem. Hij rolde zijn sigaar van de ene mondhoek naar de andere. ‘ Anthony, de enige zoon van de familie Van Sand werd getroffen door een longontsteking’. ‘Zijn gevecht tegen het virus was van korte duur, amper een week nadat hij ziek werd is de jongen overleden’. ‘Zijn moeder Lydia kon het hele gebeuren niet aan een stierf zes maanden later, ze werd teruggevonden door de vader toen ze zichzelf van het leven had beroofd’. ‘Dus vader en dochter bleven alleen achter?’. ‘ja, Deny zelf kreeg na dit hele gebeuren drankproblemen en mishandelde regelmatig zijn dochter’. Amelia stierf nadat hij haar eens teveel had geslagen’. ‘En Deny?’. ‘Hij wierp zich drie weken later onder de kusttram’. ‘Zonde, echt een zonde’, ging de oude man verder. Hij draaide zich om en liep al mompelend verder.

‘Jij mag me niet pijnigen’, fluisterde ik zacht. En in gedachten zag ik het arme kind voor me staan in haar vieze witte jurk, huilend om wat haar werd aangedaan.

Nathalie Vilain
De Haan 24 Juli 2009.

.

  • Wees zo vriendelijk om op deze bijdrage te reageren. Reageren is eenvoudig. Klik op ‘discuss’ onderaan deze pagina en geef vervolgens je mening.
  • Je kunt ook een stem op bijdragen uitbrengen. Klik daarvoor op ‘rate’ onderaan deze pagina en druk op het plusteken + om een positieve stem uit te brengen.
  • Interesse in online geld verdienen? Klik hier: http://website.ws/kvmlm2/index.dhtml?sponsor=vileo&template=6