Als een Neanderthaler, Don Cabas

Dit verhaal gaat over mijn leven als Neanderthaler.

Een jaar geleden begaf onze kachel het. Omdat we niet rijk zijn besloten we er geen al te groot probleem van te maken. Mijn gezinsleden, die klappertandend op de bank zaten, wilden het liefst zo snel mogelijk een nieuwe kachel. Omdat we arm zijn probeerde ik hen op andere gedachten te brengen.

'Probeer deze speling van het lot als een nieuwe kans te zien,' zei ik. 'Nu kunnen we ons verplaatsen in het leven van de Neanderthalers. Die leefden in de ijstijd en hadden helemaal geen kachels. Dat is toch mega boeiend? We gaan een onderzoek houden. Wij gaan leven als Neanderthalers…'

Zo gezegd, zo gedaan. We leefden maanden zonder kachels in ons vervallen huis. Om warm te blijven droegen we wollen truien, dubbele sokken en soms als het echt niet meer ging, trokken we onze jassen aan in bed. Ondertussen stookten we stukjes hout in onze open haard en 's avonds zaten we gezellig om het vuur met schapenvachten om onze schouders geslagen. Op een avond ging ik zo op in mijn rol als Neanderthaler, dat ik met houtskool tekeningen van dieren op onze muren maakte, wat me niet in dank werd afgenomen door mijn familie. Bovendien vertelden mijn kinderen me dat de Neanderthalers waarschijnlijk helemaal geen rotstekeningen maakten.

De enige die echt gelukkig was met ons koude huis, was onze koudbloedige goudvis Otzi. Hij zwom vrolijk rondjes in zijn deprimerende kom.

De winter kwam en ons leven als Neanderthaler begon zelfs mij stierlijk te vervelen. Ik wilde mijn kinderen wel weer eens in bed zien stappen zonder jassen, mutsen en sneeuwlaarsjes aan. Inmiddels hadden we wat geld gespaard en dus besloten we dat uit te geven aan een nieuwe ketel voor de centrale verwarming. Van de week kwamen er een paar werkmannen langs om het apparaat te plaatsen. Dit was hun auto:

truck-1.jpg

Ze werkten hard en na een paar uurtjes begon ons huis vol warme lucht te stromen. De mannen tikten aan hun petjes, pakten hun gereedschap in en stapten weer op.

We genoten van de behaaglijke warmte. De thermometer in ons huis steeg, en steeg en steeg… Van 15 naar 20 graden. We gooiden onze schapenvachten af. De temperatuur steeg nog verder, van 20 naar 22 en van 22 naar 28 en uiteindelijk naar 30 graden… Natuurlijk liepen we al snel te puffen en te hijgen. Het werd zelfs zo heet in huis dat we ophielden tegen elkaar te praten. We konden nauwelijks nog lopen, zo heet was het. We hadden al onze energie nodig om naar adem te happen. En als we de thermostaat lager zette, dan werd het toch nog heter en heter in huis.

Al snel zaten onze kinderen te huilen van de hitte, op onze bank vol scheuren en gaten. En onze goudvis Otzi dobberde sloom rond in een stomend bakje heet water. Hij zwom naar de oppervlakte en probeerde lucht te happen met zijn gouden lipjes. Geloof het of niet, maar het water was op dat moment 32 graden en ik wilde het water juist verversen om hem te redden, toen Otsi plotseling de geest gaf.

Nu zit ik in mijn oververhitte huis dit stukje tekst te schrijven. Het is precies 34 graden in de huiskamer. In de kamer naast deze kamer is het 38 graden. Onze kinderen hebben vanmorgen huilend het huis verlaten om naar school te gaan, zo erg vinden ze het dat Otsi is overleden. Ze verwijten ons dat ze veel gelukkiger waren toen we nog Neanderthalers waren.

Vanmorgen kwamen die werkmannen weer, om te kijken wat er mis is met de nieuwe verwarmingsketel. Na een half uurtje zeiden ze: ‘Er is niks mis met die ketel, u moet gewoon de radiatoren dichtdraaien.’

Dat zeiden ze terwijl de radiatoren al dagen dicht waren. Ze geloofden me niet. Ze zeiden dat ik ze vast pas had dichtgedraaid vlak voordat ze kwamen, en ze zeiden dat het in ons huis behaaglijk warm was en helemaal niet te heet. Ondertussen depten ze zweetdruppeltje van hun voorhoofd, zo warm hadden ze het.

‘Maar Otsi is dood,’ probeerde ik nog. ‘Hij is gaar gekookt in zijn eigen kommetje. Vindt u veertig graden niet een beetje te heet dan?’

De werkmannen glimlachten vriendelijk naar mij.

‘Nee hoor,' zei de oudste van de twee, dat is heel normaal na een ijstijd.’ Toen wees hij naar mijn rotstekeningen en vervolgde: ‘mooi hoor, heeft u die zelf gemaakt?’

Ze tikten aan hun petten, en verlieten ons huis. ‘Goede jacht!’ riep de jongste me nog na.

Nu ga ik stoppen, want het is zo heet in huis. Ik geloof dat ik flauw ga vall…

Donny