Kees in de volkstuin

Vandaag naar mijn volkstuintje geweest, een oase van bloemen en penen. En helemaal van mij. Wil vindt het een beetje aanstellerij. Zo van terug naar de natuur en dan nog handig willen zijn. Maar ze heeft wel een beetje gelijk.
Want zo goed als Pa zal ik nooit worden. Pa was timmerman. Dat is dus erfelijk, tenminste een beetje. Maar Pa was liever ter plaatse overleden dan bij de Beta te worden gezien. Daar moest ik als kind voor opdraaien. Ik was een graag geziene klant bij de Beta. Keurige lijstjes met benodigdheden. Die gaf ik aan het leukste meisje (vroeg beginnen, is me altijd geleerd) en die zocht dan alles op in de schappen. En dan ging Pa als een wervelwind aan de gang.

Nou, ik heb dat ook bij het huisje op de tuin geprobeerd. Dat moet er van de leiding staan, bij elke tuin. Bouwpakketje. Ach, het staat er, daar niet van. Maar niet alle hoeken zijn negentig graden. En het moet niet al te hard regenen. Maar er zitten klimrozen op en een bankje er voor, waar ik de pijp roken kan. Beetje Dik Trom, maar als ik er nou gelukkig mee ben.

Ik heb de bonen geplant. Of gezaaid, dat weet ik nooit. En sla. En een bedje radijs. En de peentjes natuurlijk. Net als in mijn schooltuintje. Ja, het zat er al vroeg in.
Vakliteratuur lees ik niet. Maar er zijn wel eens aardige stukjes in de krant door ene Hermans. Gouwe tips heeft die man. Soms wat moeilijk te lezen, in een zuidelijk dialect, maar ik pik ‘r wel eens wat leuks uit. Twee van de drie keer maak ik er een puinhoop van, maar die ene keer lukt er wel eens wat. Al doende ……. niewaar? Dus heer Hermans, bedáánk (of is dat Utrechts?).
En straks dan oogsten. De penen naar de manege hiernaast. Een feest, die lekker ruikende paarden met hun zachte lippen, hun hoofd tegen mijn kop. Kan ik uren zijn.
Een maaltje bonen. Iemand zoeken die dat wil opeten. Niet Wil. Wil? Hoe kom ik er op. Die gaat naar de super en koopt voorverpakte rotzooi.
Het ruikt allemaal naar stront zegt ze. Zou best kunnen. Ik gebruik nog wel eens paardenmest van de manege. Krijg ik gratis. Als ik het zelf opschep. Paardenmest geurt sterker dan bier. Het dekt zo gezegd af. En dat heb ik nodig.
Want ik heb een buurman op het tuinencomplex. Meneer Streepstra, uut het hoge Noord’n. Een innemer van je welste. En ik kan niet blijven weigeren.
Meneer Streepstra is van hoge komaf. Was professor. Waarin weet ik niet, maar het heeft ‘m geen goed gedaan. Wat zag die man er uit, toen-ie pas hier was komen wonen. Maar toen begon hij een nieuw leven.
Leende mijn spa en moest naar de dokter om die uit zijn voet te laten halen. De schoffel dan. Brak de steel. De hark. Aan een hark zitten punten. Die zwaaide hij steeds vlak langs mijn wenkbrauwen. Dus in tuinierig opzicht liep het nog niet zo lekker.

Maar toen kwam hij zelf, met hamer en spijkers. En planken. En kozijnen. Deuren. Dakpannen. Sprekend Pa. En hij was ook geniaal. Binnen de kortste keren stond daar een paleisje. De man was een kunstenaar. Van alles wat groeit en bloeit had hij geen notie, maar wat zijn ogen zagen maakten zijn handen. Mijn handen doen wat zij willen, daar had Wil vroeger nog wel eens klachten over.
De prof doet wel erg beleefd over mijn optrekje (alles moet geleerd, buurman) maar het is echt geen ponem, die twee bouwsels naast elkaar.
We hebben er een soort pergola tussen gemaakt, uit het zicht. Daar kunnen we ongehinderd nippen. Kalm maar gestaag. Kleine en een enkele grote blonde. Dus moet ik dan even mijn handen door de mest halen om de dranklucht te overbieden.

Of Wil zich echt laat inpakken weet ik niet. Ik word altijd wel direct naar de douchecabine gestuurd als ik thuis kom. Dan komt ze gezellig naast me op de hangplee zitten met alles aan, en we wisselen het nieuws van de dag uit.
Want ze gunt me me tuintje toch best wel. Het houdt me van de straat en zij kan dan naar haar zuster Jo.
Neef Bertje komt af en toe ook langs, om een glaasje fris en een kletspraatje, eet mee (als moe Jo het goed vindt, een gehoorzaam kereltje) en laat zich dan door mij thuisbrengen. En dan groet Jo me vriendelijk. Want ze weet hoe Wil en ik van kinderen houden. Zelf hebben we er geen.

hendrik